Ik, een vereniging

Gepubliceerd op
23 juni 2019

In mij verenigen zich schijnbaar tegenstrijdige krachten.

Sensitief slim en kwetsend impulsief. Zoetjes sociaal en ongrijpbaar op mezelf. Extreem zelfstandig en gedurig onzeker. Karakteristiek lief en verontrustend ongenaakbaar. Driftig verveeld en heimelijk bevlogen. Overvloedig attent en argwanend onbewust. Zinderend creatief en gênant onnadenkend. Vurig verongelijkt en smekend toegeeflijk. Beestachtig fier en kleinmenselijk schaamtevol.

Een vat vol tegenstellingen, een spectraal kleurenpallet, een betekenisloze potpourri. Onnavolgbaar. En voorspelbaar saai. Wijsneuzerig alert, in dagdromen verslonden.

Ik stol tot iemand als jij mij vol waardering ziet. Ik los op tot niemand in de luwte van de groep. Met overtuiging doe ik mijn zegje, om nadien kniezend in slaap te vallen. Ik ben een opschepper met mijn handen voor mijn ogen. Ik neem veel ruimte in en zeg warempel 'sorry!' Een heuse einzelgänger, buitengewoon sociaal als zodanig.

In liefde vertrouw ik, angstig benadruk ik haar grootheid. Wenend om onmacht, schreeuwend uit hoogmoed. Verloren dromen, overwerkte vergezichten. Oplevend van liefde, ronduit gelukkig in de leegte.
Ik bruis van tegenstellingen en word misselijk van twijfels.

Zo ben ik een veranderaar én een angsthaas. Een luidkeelse spreker en een beruchte zwijger. Een onzekere wolvin en een zelfverzekerd muisje.

Yin. Yang. Boven en onder, links en rechts. Hopeloos ambivert, grenzeloos mens.
Continu zoekende naar grond onder mijn voeten en weldra gevonden, ben ik foetsie en voort. Frequent in verwarring levend, om daarin verheldering en focus te ontwaken. Ik wil méér, eísend meer, en proclameer ternauwernood: níets-hoeven is het eerstvolgende dictaat!

Vragend naar jouw mening, volg ik onherroepelijk mijn kompas. Waardeloos wikkend, waardeer ik keuzes als vrije wil.

Ijdeltuitend voor de spiegel, stap ik nog met mijn winterpyjama de straat op. Ik trek mij onkreukbaar terug in een grot en fluister mantra’s tijdens stuipen van verlatingsangst.

Ik ben een sensuele heupenwieger, een bevestigingsgretig buurmeisje en een lichtjaaroude wijsgeer. Een piepstemmetje en een schreeuwlelijk. Eén die beren ziet op elke weg, eén die oversteekt zonder te kijken.
Laat mij de introversie luidkeels van de daken schreeuwen, de overgevoeligheid nonchalant wegwuiven en de twijfel passievol geloven.

Als miljarden jaren evolutie, waar ik oneindig weinig van weet. Een nietszeggend mensje op een overvolle planeet, een uitgesproken vrouw waarvan er maar eén is.

In mij verenigen zich schijnbaar tegenstrijdige krachten. Ingrijpend op elkaar, beweeg ik voort. Tegen weer en wind in vind ik de balans. In de kolkende golven van groei ervaar ik stilte en ruimte. Op mezelf teruggeworpen, hervind ik de wens tot sociaal contact. In de overtuiging niets te weten, herken ik richtingsgevoel en perspectief.

Organisch in mijn doen en laten, bewust van beperkende perspectieven, ben ik mijn eigen blinde vlekken.

Wie ben ik?

De vraag als grensbewaker. Dit wél, dit níet. Eerlijk is: Met elke stap die ik zet, elke keuze die ik maak, hef ik een zojuist in-ontwikkeling-zijnde identiteit op. Elk verhaal dat ik vertel kent duizend wendingen, ín mij leven zoveel ikken als ik onwijs ben.

Ik ben geen ik. Een Supernova. De Dageraad. Een Verlegde Horizon. Een pluizenbol, de wereldbol. Allen zijn de kern, de sporen en de expressie van wat dagdagelijks voor een “ik” doorgaat. Als een gul gemeengoed van gedachten, gevoelens en gedrag. Als alles wat ik niet ben, precies-ík.

Op jou, op mij, zijn een tiental labels van beredeneerde, gekoeioneerde of gedoodverfde toepassing. Geen houdt lang stand, eén brengt me wel een sociale stand.

Wij zijn elkaars projecties, tot we voorbijgaande gedachten zijn. We zijn spiegelingen, die we voor projecties aanzien. We zijn het woeste, alwetende onbewuste, een treffende tegenhanger van leeggeestig bewustzijn. Jij en ik zijn elkaars verzuurde eenzaamheid, en de ongekende, zo behoeftige spiegeling van kwetsbaarheid.
In des mens verwoede pogingen elkaar tot de eén of de ánder te reduceren, zijn we de beweging daartussen. Een poging. Dansers. De dynamiek zelve. Zelf én De Ander. Én.

Een mens. Beknot en bevrijd door tijd, context, lijf en perspectief. Een trilling, resonerend met Alles wat er is. Energie, ongeremd stromend, ook als het blokkeert.

En. Wie of wat verenig jij allemaal? Wie of wat zijn we, als we alles zijn?
In jou en mij verenigen zich schijnbaar tegenstrijdige krachten.

Laat ons daarom een grenzeloos Zelf zijn. Vrij, verbindingswaardig Wij. Allen balancerend op de rand van de vraag, Wie ben ik?