Lichaamswendingen

Gepubliceerd op
10 oktober 2017

Kort voorafgaand aan het schrijven van dit blog, heb ik De Tweede Sekse in de hand.

Een meesterlijk werk over, getuige het beroemde citaat: "Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt."

De schrijfster is Simone de Beauvoir. Schrijfster, gemaakt door onbedwongen discipline, briljant analytische, ongewoonte scheppende scherpte, verregaande emotionele betrokkenheid en een tijdgeest waarin haar perspectieven ruimschoots door daden en actievoering werden geëchood, doortastende perspectieven welke de tijdsgeest van zichtbare contouren voorzagen en menigeen man en vrouw wereldwijzer hebben gemaakt.

Het is een leeservaring die in tientallen micro-transformaties uiteenvalt. Als hersenen hoorbaar konden kraken, dan klonk dit geluid doofmakend hard boven het inhouden van mijn adem uit. Ik hoop tegen het te lezen einde van het meesterwerk de samenhang in mijn persoonlijke betekenisgeving terug te vinden, dat elke micro-ontwrichting een voorbode van een nieuw te synthetiseren openheid richting eigen en eigenlijk on-eigen vooroordelen en aannames betreft.

Dit is intervenierend lezen. Wie ik zojuist was, ben ik na enkele bladzijden al niet meer. Ik word als lezer tot iemand anders gemaakt, even niemand anders dan Anders en herken in die omzetting een Zelf dat verontrustend herkenbaar oneigenlijk is. Een droomachtig bewustzijn woekert ‘s nachts door lucide voorstellingen, spiegelend de interpretatieve omkeringen die de Beauvoir ogenschijnlijk in een handomdraai op gemeenplaatsen uitoefent.

Ik lees in het deel Vorming over de fysieke puberteit: de schrijfster gaat in op de emotionele en sociale onzekerheden die met de fysiologische veranderingen gepaard gaan. Herkenning en erkenning alom, geen trots maar zingevend begrip van de schaamte die zo rond mijn dertiende heer en meester van mijn zelfbewustzijn werd.

Dit begon vele lentes eerder.

Ik herinner mij dat ik al rond mijn tiende teleurgesteld was in mezelf, omdat ik gemakzuchtig ijdel paradeerde met het voltrokken feit dat ik reeds op mijn negende had getongzoend. Ik probeerde mijn tijd vooruit te zijn, wellicht uit drang de kwetsbaarheid die erna zou volgen te ontwijken. Aangezien deze biologica niet in mijn handen lag, moest ik het al geweten hebben - een andere manier om intuitie uit te leggen.

Ik kan er een Wil aan toedichten, aan die woekerende schaamte als reactie op noodlottige misdragingen die toch zo heerlijk kriebelden, veelal betrof het een afgeleide van een beginnend, rijpend begrip dat ik sterfelijk sensationeel, sensationeel sterfelijk in elkaar zat. Zo gemaakt was, nooit tot stand zou komen, deze zogenaamde groei niet ontgroeien zou.

Lichamelijkheid drong zich letterlijk aan mij op, buitenproportioneel verontrustend bleek ik veroordeeld tot zintuigelijk Zijn als een essentie waar ik fundamenteel mee te leven had, mij afvragend welke marginale rol de rest-interesses zouden behouden.

Was ik tot die tijd geneigd mezelf in de observatie terug te trekken, leek ik nu tegen mijn geweten in aangetrokken tot hetgeen waar, tot wie ik mij voorheen allesbehalve mee identificeerde. De taal die mijn lichaam sprak, was er een die ik nodig moest leren spreken, maar mijn stuntelige reactie betrof tegenspreken en de Babylonische spraakverwarring was een innerlijk feit.

Mijn weerwoord kwam altijd te laat, ik liet me verleiden door mijn lijf, en ik voelde me bezoedeld. Dat was de diepere laag van angst, waar is dat ik net zo goed gefascineerd raakte op een wijze die eerder kortzichtigheid preekte dan persoonlijke passie intendeerde.

De fascinatie voelde wel lekker, maar er was geen identiteit aan te ontlenen. Ik wilde iets buiten mezelf, niets voor mezelf of als mezelf.

De Beauvoir schrijft; “Natuurlijk is het meisje van haar geboorte tot aan haar puberteit gegroeid, maar zij heeft die groei niet bewust ervaren. Van dag tot dag was haar lichaam een ding dat vaststond, dat af was; nu “ontwikkelt” zij zich. Dat woord alleen al bezorgt haar rillingen. […] In het opzwellen van haar borst ervaart het meisje de tweeledige betekenis van het woord: levend. Zij is noch goud, noch diamant, maar een vreemde, bewegende en onbestendige stof waarin zich onzuivere, alchemistische veranderingen voltrekken. Zij is gewend aan haren die zich even rustig en beheerst als een strenge zijde laten plooien. Maar deze nieuwe begroeiing onder haar oksels en de onderkant van haar buik verandert haar in een dier of alg. Of het meisje nu meer of minder gewaarschuwd is, zij voelt in deze veranderingen een doelgerichtheid, een finaliteit die haar losrukt van zichzelf. Zij voelt zich geworpen en meegesleurd door een levenscyclus die de loop van haar eigen bestaan te boven gaat en overspoelt. Zij begint een afhankelijkheid te vermoeden die haar tot de man, het kind en het graf doemt. Die borsten zelf lijken haar een nutteloze, indiscrete woekering. […] Onder het truitje of de blouse tekenen de borsten zich af en dat lichaam, dat voor het meisje samenviel met haarzelf, wordt vlees. Het is een voorwerp waar anderen naar kijken en dat zij zien.”

p. 387

In mijn dagboek schreef ik rond mijn twaalfde: “Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik ben mezelf niet meer.”

De lichamelijkheid die mij uit het ogenschijnlijke niets ten deel was gevallen, vervreemde mij van een zelf dat zich tegelijkertijd ontpopte.

Hoogst merkwaardig allemaal. Beangstigend en fascinerend, dit laatste overmachtig zolang ik mij overgaf aan de bazige behoefte tot beantwoording van mijn verlangens. Teruggetrokken voelde ik mij angstig, gek genoeg juist in die hoedanigheid waarin ik eerder alle veiligheid herwon, verloor ik de zelfregie. 

Ik had een stille overtuiging niet overgeleverd te zijn aan bepaalde grillen, zoals ik meende wel bij mijn grote zussen te zien, maar ik kon nu niet anders meer dan concluderen dat ik ‘part of this clan’ was en wel op een beschamende, disruptieve wijze.

Zelfonderzoek nam soms belachelijke, ook aandoenlijke, gemakkelijk te betuttelen vormen aan. Eens dacht ik de beha’s van mijn zussen te hebben gepakt - ik vond dat ik mij maar eens moest ontgroenen met de kledij die ik binnenkort dragen zou. Klungelend stond ik op de bovenste verdieping, pal naast de trap, verwikkeld in wat een zijde onderbroek bleek. Mijn zus moest erom lachen en ik vermoedde een noodlot.

Toch schaamde ik mij toen nog niet zo. Schamen kwam toen ik, de klassieker, mij voor het eerst afvroeg waarom ik niet meer naakt door de wandelgangen kon lopen, vanuit de badkamer richting mijn slaapkamer. Dit projecteerde ik eerst op mijn vader, ik vond dat hij niet naakt, dat wil zeggen in zijn badjas, mocht rondlopen. Ik was, me dunkt, statig trots dat ik deze hoge moraliteit aanhield! Alles om de te neer gedrukte schouders fier boven de schaamte uit te doen steken.

De menselijke geest murwt zich in u-bochten om maar aan de vreselijke, vleselijke realiteit van verandering en sterfelijkheid te ontkomen.
Het was verwarrend want de hele omgeving leek te veranderen. Met Villa Volta als thuisbasis, raakte een centrum, referentiekader, horizon zoek.

De schaamte over de ‘ontwikkelende lichamelijkheid’ vervormde ik vaker tot trots. Niet eenmalig tot trots over het feit dat ik kleine borsten had. Ik herinner mij de stiekeme gedachten ‘…als ze maar niet te veel groeien’. Grote borsten leken mij vreselijk af te leiden van écht contact, het scheen mij verwerpelijk om als een voorwerp beschouwd te worden, in de walging begon ik mezelf echter als studie-object waar te nemen.

De Beauvoir noemt in hetzelfde hoofdstuk een zelfde potentiele bijkomstigheid: ook ik ontwikkelde naast een begeerte-gedreven lichaam een daaraan verwante, niet nader omschreven eetstoornis. De feeks die ik wilde temmen, temde ik met een controledrang die menig feeks afschrikken zou.

Ik zou de al eerder genoemde fascinatie en wil tot macht over de berispend lijfelijk aanwezige jongens niet lang kunnen temmen door stelselmatig calorieen te tellen. Frigiditeit kreeg geen vitale kans, want hoezeer ik ook een moraal hoog te houden had, er diende zich nieuwe waarden, een nieuwe moraal aan, en ik liep er niet zelden zonder nadenken pal achteraan. Missie geslaagd, visie vermistigd.

Mijn lijf vond dreunende hiphop en deinende soul lekker en ik danste volgzaam mee met de nieuwe meesters in huis. Heimelijk verlangde ik soms terug naar de bril die ik voorheen droeg en die van mijn “nieuwe zelf” zo nodig vervangen moest worden door lenzen. Mijn grote bruine ogen maakte ik sierlijk op, als ware er een vergrootglas voor te plaatsen, trok daarmee ongemakkelijke aandacht. "Van dat gevoelige binnen” wilde ik mij verstoppen achter een kleurtjesrijke bril waarvan je de montuur kon wisselen en waardoor anderen zoveel schattigs in mij zagen. Schattig, de goede oude tijd!

Op de basisschool verleende ik hoogmoed aan het feit dat ik bevriend met jongens was, razendsnel veranderde die vriendschappelijkheid in populariteit, de schaamteloosheid die mij eerder juist kenmerkte, maakte dat ik de ongeremdheid niet gauw kon herkennen als nieuwe poging om verlangd te worden door de jongens om mij heen. Dit impulsieve wees ik af, soms walgend zelfs en wilskrachtig door óf belachelijk weinig te eten óf mezelf vol zoetigs en vettigs te proppen en over te geven.

Zoveel gedistingeerde en hebbelijke persoonlijkheid dichtte ik toe aan de onafhankelijkheid en onaantastbaarheid die ik eerder meende te belichamen, dat die interne drijfveren om begeerd te worden een demonische dimensie kregen. Het lukte mij echter niet om de lichamelijkheid op de ander te projecteren, ik internaliseerde de verandering als aanwijzing dat er iets gruwelijks mis met mij was, van binnen was ik beduveld.

Die hardheid richting de doodnormale ontwikkeling lag gegoten in een pijnlijke ontwrichting van ons gezin, de scheiding en alle ruzies, verwijten, spanningen en onzekerheden die aan de beslissing vooraf - en voorbijgingen. De situatie riep mij enerzijds op mezelf razendsnel in klein-menselijkheden te onderwijzen en tegelijkertijd voelde ik me veroordeeld tot een bevreemdend soort verwijven - een verwoording die me ontzette en mij er toe aanzette tenminste tot mijn dertiende geen scheldwoord te gebruiken. Vrouwelijkheid leek me een last die ik juist nu maar slecht verkroppen kon.

Biologische veranderingen hadden mij in een begerenswaardige greep en ik gaf over aan de emotionele rollercoaster die ik buiten beschouwing van anderen via ijdele pogingen wilde remmen door alles wat ik at te tellen. Ik verlangde naar de basisschooltijd en de snelste zijn bij een rekentoets, nu had ik te maken met de complexe uitdaging het moraal wat ik hoog had ook waar te maken en mijn lichaam werkte al die hooghartigheid tegen.

De sociale omgeving ontwikkelde mee en hoe meer ik afviel, hoe meer het fragiele meisje dat ik werd, de aandacht kreeg. Mijn verzet daartegen was dus van alle zijden contra-instinctief en uit vermoeidheid door zoveel cognitieve controle raakte ik nog meer geprikkeld door die veelbelovende, bedwelmende aandacht. Mijn gedachten verslapten tot een omvattende tunnelvisie, mijn lijf leidde als een breekbaar maar verrassend soepel geheel, en die verdomde drang me over te geven aan de ander regeerde; ik werd wat ouder en alcohol brak de zenuwachtige bond die ik mentaal met mezelf had afgesproken. Ik gaf me over aan het fysieke contact en vond daarin kortstondige ontspanningen.

Angstig voor intimiteit uit geschaad vertrouwen, was elke hemelse ontspanning ook een alarm waarop ontsnappen volgde. Ik vluchtte van de jongens, later ook van de mannen. Vond even toevlucht in heilzame, eenzame uren en zocht hen uiteindelijk weer verlangend op, zowel de jongens als de uren.

 Ik zocht een lichaam om te weten dat ik er zelf ook een had waar ik niet onderuit kon komen. Ik zocht een toevlucht, een weg uit de helende eenzaamheid.

De strijd tussen de zogenaamde geest en het niet meer te conceptualiseren lichaam vervormde en uitte zich als dissociaties. Mijn rechterarm was niet meer van mij, ik keek er naar en het scheen mij een abject object, wat als zodanig ook mijn fascinatie had; een reflectie van de afgrijselijke maar lijfelijk zo prettige fascinaties. Niemand vertelde ik erover, de arm functioneerde prima, maar mentaal had ik er geen zelfbeeld van en kon die vervreemding slechts buiten mezelf, lokaal, op mijn rechterarm projecteren.

Jaren later zou ik mijn huidige partner in bed vertellen over die gekke dissociatie. We keken samen naar de arm, ik vroeg glimlachend of hij “het” ook zag, dat de arm daar maar aan bungelde, en in mijn denken knisperde het van nieuwe verbindingen.

Een mogelijk uit de kinderjaren ontsprongen verlangen om man te zijn, en een extra arm te hebben waar ik niet alle controle over had, zou kostelijke voer voor psycho-analyse blijken, ontdekte ik studerend.

Guitig antwoordde mijn partner “nou, hij is in ieder geval niet van mij!”

Zo makkelijk kan angst tot humor verworden als immanentie weer een plekje in een nu te overstijgen ervaring krijgt.

Niet veel later verdween de niet-mijn-arm-ervaring uit mijn bereik; ik was weer één en ik vond genoegzaamheid in de vrouwelijke vorm van mijn armen. Blijkbaar was er trots en zelfgenoegzame ijdelheid voor nodig om het eerdere afgrijzen te trotseren en de puberteit ontwikkelgericht te vervolmaken. Desalniettemin ging dit ook samen met het objectiveren van mezelf in de spiegel. Zoals De Beauvoir schrijft dat vrouwen leren zichzelf als object te aanschouwen.

Ik was eerder een selfie dan dat ik mezelf om het even mooi, ook zonder weerspiegeling, vond.

Alle lichaamsdelen bleken met de voortschrijdende tijd en niet te verstoten schaamtevolle momenten onmetelijk immanent “Zelf”, te meer omdat ik een project had gevonden waarin ik mezelf kon overstijgen, creatief en zelfstandig ondernomen werk;

pas toen realiseerde ik mij volwaardig dat ik al die jaren zoveel strijd met in bloei staande lichamelijkheid ervoer. Het verklaarde waarom ik soms giftig afgaf op mannen die vielen op grote borsten (en dus verlangde naar hun moeder, voegde ik ironisch genoeg kattig toe), waarom ik al vroeg vond dat liefhebbende sensualiteit van ontwikkeling getuigde en seksualiteit slechts bijzaak was, waarom anderen mij soms een zwarte weduwe noemden, losbandigheid en afstandelijkheid daarmee mythologiserend tot vangnet voor hun persoonlijke twijfels verbonden. Ik projecteerde mijn lichamelijkheid op mijn partners en las in hun handelen en houding angst en verlangens waar ik zelf te veel de Ander voor was om ze toe te eigenen.

In ideaalbeelden meende ik onbewust de oh zo nodige invloed van de biologie te kunnen ontsnappen, de noodzakelijkheid die zich als overmacht aandiende af te kunnen wenden. Via pogingen de man te leiden wilde ik de controle terug, via een gesloten slaapkamerdeur waarachter ik de sterren terug in de hemel danste, hoopte ik narcisme ver van mijn bed te houden. Wat wil, de drang om begeerd te worden intensiveerde slechts, er was geen ontspannen aan, de narcistische kwetsbaarheid ontwapende mijn geweten, zou compassie het levendig moeilijk maken.

Nu schrijf ik dit blog en zie ik de hele ontwikkeling als bio-logisch, neem de schaamte op de ongevraagde koop toe en weet ik dat de eventuele reacties op deze vorm van oprecht exhibitionisme (kan dat?) niet te regisseren zijn.

De slaapkamerdeur staat open, en ik sta als een bezetene voor een spiegel te dansen, opgaand in een lijf dat bezoedeld goed voelt, dankzij de onvermijdelijke vernietiging als verleidelijke progressie. 

De verbeelding van de Ander heb ik niet in handen. Ik ben een tijd De Ander geweest, voor mezelf ook, en verbeeldde mij daarin een ideaal Zelf. Zo word je tot Ander gemaakt, werk je hier uit zaligmakende onwetendheid aan mee. Onderdrukking voelbaar als een blok op de maag en de wetenschap niet te kunnen uitspreken wat je daadwerkelijk bezighoudt, van binnen, waar groei zich zonder toestemming voltrekt en afgang een gegeven is.

De verwarring die de puberteit kenmerkt, nestelt zich niet zelden een ongeziene plek in een collectieve neiging elkaar via beschaming emotioneel te reguleren, zodoende via indirecte trots de persoonlijke lichamelijkheid te ontzien. Vanuit een persoonlijk doorleefd perspectief is dit wél invoelbaar, en zo wín ik toch een beetje aan zachte macht. In de verlatenheid uit mijn puberteit en de hypnotiserende werking van niet te vermoeden, gesocialiseerde opvattingen, heb ik getracht zelfgekozen onderworpenheid als soevereiniteit te zien.

Back to the basics, lees ik er vermijding van blootstelling (en voor de biologie: terechtstelling) aan mijn schaamtegevoelens in terug. Door het zelf-expressief innemen van deze lichamelijkheid, meen ik wél ruimte in te nemen. De schaamte die ik aanga door erover te schrijven, verbiedt de vermijding en onthaalt de kwetsbaarheid als neutraliserende, nieuwe kansen opwekkende kracht.

Al schrijvend kontdraai ik een blog op de voorgrond en zie het objectieve er subjectief bovenuit gedreven. 

Mede met dank aan het, ja durf ik te stellen, eigenlijke anders-zijn van Simone de Beauvoir. Wat een indruk om ook zó, via deze lezing, met vrouwelijkheid vertrouwd te raken.