Ongeloof

Gepubliceerd op
25 september 2019

Zo vaak, zo beduusd. Wat is dit voor een wereld, wat zet ons mens ertoe aan zó te leven? Gewelddadig, zelfs in de schijnbaar meest onschuldige keuzes. Elke dag, zo vaak geleefd, deze terugval op mezelf. Wie ben ikzelf, wat zet mij aan zó te leven? Ik, precies een mens, zoals eén en vele waar ik mij tegen afzet met vragen, vragen, overvragen. Met ongeloof. 

We zijn geen overprikkelbare mensen, we leven in een overprikkelde wereld. We mogen onze stem uitbrengen, maar belichamen onze stem mondjesmaat. We vormen de omgeving naar onze hand, en ontzien in de expansiedrift een schrijnend tekort aan interne ruimte. Met woorden en beelden representeren we onze zintuiglijke ervaringen, niet zelden zo geconstrueerd dat de boodschap een opluchtende, vervalsende polariteit poneert. Zo dichten we ons denken, daarmee ook ons hart en open blik. 

We hebben geen greep op de complexiteit, en reduceren al wat leeft daarom tot wat mens heet. Hongerig naar bevestiging van een bestaansrecht dat geen veroorzaker kent en wordt gelegitimeerd met de helderziende dood, overwoekeren we onze capaciteit tot verbinding met impulsen, wordt onze zijnswijze een overschaduwen, onderdrukken we de inzichten die onze identiteit zichtbaar tegenzijdig en afhankelijk verklaren. 

Innerlijke worstelingen met vertrouwen. Hier en daar een zoet sentiment, kenmerkend voor het kortstondig opgeven van het vertrouwde ongeloof. Ongeloof, dat ondanks bitterzoete afleidingen alsnog in mij regeert. 

Ontzet neem ik waar van deze wereld te zijn, ontkennen heeft geen zingeving. Ik biecht dus door innerlijk waar te nemen, dat ik het uiteindelijk allesbehalve beter weet. 
Hieraan voorafgaand speelt een naar beleving lang proces, vele ijdele pogingen níet van deze wereld te zijn. Uiteindelijk zou ik herhaaldelijk toegeven aan het volbeleefde feit er-te-zijn, een eerlijkheid die een vooraankondiging zou zijn van hernieuwd vertrouwen in al wat evengoed angst kan inboezemen.

*Terugtrekken in mezelf*

Ik weet nog, het ongeloof waarmee ik naar de wereld keek, waarmee ik aan het lijden leed. Misschien was ik allereerst zes, zeven jaar oud. Een ongeloof dat nadien zo vaak ververst en uitgebreid werd, een ongeloof dat samenging met een schichtig terugtrekken in mezelf, ingenesteld in een binnenwereld vèr weg van alles dat mij te versteld liet staan om er mee te kunnen verbinden. De einzelgänger, de identiteit die ik mij liever liet aanleunen, kwetsbaarheid tijdelijk in de kiem smorend. 

Is dit nu wat wij mensen doen, is dit nu wat wij in de wereld manifesteren? De vraag die ik bij herhaling stelde, alsof ik een antwoord zou vinden dat het tegendeel bewijzen kon. Alleen in dagdromen was er een ándere, geamputeerde wereld.

Eerst op kleine, voor gevoel grootse schaal. Ruzietjes en ruzies in het gezin, ongeloof als overlevingsreactie. Beduusd in het onderwijs, waar weliswaar lieve leraren leefden, echter met de stelligheid van goede en foute antwoorden, overschreeuwend de wens om met de kinderlijke kijk de wereld te leren zien. We bespraken oorlogen als cijfermatige feiten, en deze feiten kon ik gevoelsmatig amper aannemen. We leerden hoe níet te varen op je intuïtie, hoe wèl te denken zoals de opgepende geschiedenis dicteert, niks van onze emoties bekennend. We leerden over overrompelend leed, en mochten daarna spierslap aan de handarbeid. 

Beangstigd door de grofheid, keek ik vervolgens ook weg van de televisie. De televisie. Een kleverige verzameling denkbeelden, met technisch vernuft een imaginair bestaan bevestigend, langsheen de sensitieve binnenwereld zappend. Een kijkbuis waardoor we een gefragmenteerd spiegelbeeld zien, díe delen van onszelf die we niet als ervaring ons lichaam toewensen. 

De vrijheid die internet beloofde, zinspeelde mijn zintuigen en weg was ik wederom. Daar, virtueel levend in een te ontginnen gebied, alle kans om de wereld naar je overtuigingen te vormen. Een kans om mijn heimelijk door ontsteltenis beïnvloede denkbeelden te projecteren en ze bevestigd te zien in de dikke duimen van een groeiend aantal vrienden die je nooit spreken zal, op wiens goedlachse geloof je een bestaan opbouwt. Zuchtig naar een moment van hoop en van wetenschap, van verbinding en ontspanning, van vertrouwen en overtuiging, verwerd het creatieve spel van identiteitsvorming ook tot een verwoede poging gezien te worden. In een "houd/ont-houd" relatie met internet, zwoer ik diens onvrijheden meermaals af, toch elke keer weer overmeesterd omdat ik de gebonden gemoedstoestand zag als springplank tot een beter leven. 
Een beter leven dat nooit komt, een beter leven dat onder je voeten ligt te broeien. Een hoop-op-anders, waarmee we onze ervaring verklikken. Het hiernamaals als reactie op ongeloof, het hiernumaals ontziend als definitief anker.

Lange tijd mijn ongeloof in déze wereld aangrijpend, wees ik ook dít lichaam af. In beide - wereld en lichaam - de onvermijdelijke signalen van transformatie, verval, van beperking, van context, van ongrijpbaar begrip van wie en wat jezelf bent, van sensaties en oneerlijke spiegels daarvan, van onstuimige, niks geen zachtzinnige ontwikkelingen. Daarom levend in mijn hoofd, teruggetrokken in een oersoep van zelfreferentiële verbeelding, gretige levenslust en sissende angsten. 

Waar geloof ik in? Geen antwoorden, geen vergezichten, geen gronding daar waar ik ben en voel. Ambivalentie als kompas, onthechting en onverbondenheid. Eenzaamheid als kortstondige ideëenlogie. Heil gevonden in verslaving, zingeving in controledrang. Vastgedraaid in een ongeloof dat mij aanzette tot kortstondige, sissende overtuigingen, daaruit bleek de emotionaliteit van mijn gemoedstoestand, en de onbereikbaarheid van de ziel. De psyche die zijn eigen genezingskracht afwijst, niet wetende dat we allemaal als onschuldigen slapen. 

*Déze wereld*

Ik mocht leren te geloven dat ook ik deze mens ben. Deze onlogische, wrede, onwetende en twijfelachtige mens. Dat ik ín deze wereld leef, in een veelvoud aan werkelijkheden. Deel uitmakend van ontelbaar onrecht, onmeetbaar verdriet, onkenbare trauma's. Van alle pijn, van genot en van de medicinale verhalen over pijn en genot. Van leven als dood, en dood als leven. Dat deze mens niet of onwaarneembaar bijzonder is. Even bijzonder als de miljarden jaren evolutie die ons voorgaan en ons voorbij zullen gaan. Ongelofelijk bizar dat we er zijn, varend op alles wat er is en tegelijkertijd onherroepelijk onzeker wat er dan daadwerkelijk toe doet. 

Overtuigd van eigen juistheid, of versplinterd in ons vermogen te twijfelen. We leven op golven en proberen tegen de seizoenen in te voelen.

Ongeloof was mijn geloof, en de zucht naar een passie (ingebed in Werk als ultieme verlossing) een levensnoodzakelijke reactie. Van de daken schreeuwend dat het leven intens is, ik een intens mens ben. In de stilte, eigenlijk, omdat ongeloof heer en meester in dit lichaam was. Eigenlijk, omdat ik uit de ban van het Leven viel, en sinds die tijd golfslagen doordrongen raakte van onze eigen, altijd weer uit je tenen oprukkende, niks verzilverende, alles ontvankelijke Já tegen al wat is. Als enige mogelijkheid, hoe ongeloofwaardig ook, we Leven. Dit is het.

Prikkelbaar rauw en zijdezacht.

Nog altijd zijn er die momenten van ongeloof. Ben ik hier nu, waartoe ben ik hier? Wat een wereld beleven wij, waarschijnlijk oneindig uitweidend, voortdurend op herhaling, toch niet te voorspellen. 

Ongeloof is, met kinderlijke levenservaring als gouden gids, verfrist tot een bewuste beginnersgeest. 

Vragend aan mezelf: Hoe voelt mijn aanwezigheid voor de ander, hoe verwelkom ik hem of haar in deze wereld? En als mijn verwelkoming door de ander als afwijzing wordt geïnterpreteerd, dan blijkt de werkelijkheid wederom veelvoudig. 
En dit lichaam, lang niet altijd mals, sowieso eindig, verwelkomt vaak met huiver en eigenbelang. 

Maar dan zijn er alsnog - zo vaak, zo verwonderend - die momenten van warme verbinding, van opgehelderd denken, van acceptatie, van presentie zo gul als een presentje, van doortastend voor elkaar opkomen en van noeste behulpzaamheid en zinderende flow, achtzaam richting wie we zijn en wat we hier mogen doen, reeds miljarden jaren verguld van dit geïoniseerde Zijn, in bescheidenmakend contact met wat ons voorging en ons overleven zal. 

Ik zie ze als nooit geboren bewustzijn en zo leef ik ze als vanzelfsprekend, deze momenten. Dat geloof ik, en dat is - kan ik na jaren van voortwoekerende twijfel stellen - ongelooflijk. 

Elke dag, zo vaak, zo veerkrachtig verwonderd.