Wat ons samenbracht, was zijn hart

Gepubliceerd op
15 juli 2017

‘Dat heb ik ook van haar geleerd’, zei hij. De Zij waar Hij naar verwees, had de eettafel kortdurend verlaten voor een vertrouwd onderonsje met de restauranteigenaar.
Hij kon vrijuit spreken. Er volgde liefdevol besef.

Wat zij hem geleerd had, dat kwam nu uitermate van pas. Hij bevestigde hier ook mee dat hij de juiste keuze had gemaakt, voor een levenspartner die hem en zijn aangeleerde gewoonten nabij stond. Zij deelden ondertussen vele cirkels van nabijheid, die met haar aanwezigheid en met de jaren steeds groter én intiemer waren gegroeid. Van hier tot Indonesie aan toe. Vermoedde ik althans.

Van huis uit had hij deze dankbaarheid niet meegekregen, vervolgde hij. Zij was echter opgegroeid met samen-zijn als levensgids voor alle belangrijke besluiten. Hij had zich in hun liefdesrelatie geinspireerd gevoeld deze lessen eigen te maken, begreep ik uit zijn summiere en kordate verwoording. Zijn eigenwijze gretigheid toonde zich hier van grote meerwaarde. Voor beiden.

Ik voelde mij verder verlevendigen door zijn uiting van dankbaarheid richting zijn vrouw. Delen in deze bezinnende vreugde was heilzaam.

We aten in een Indonesisch restaurant, een voor hem ondertussen bekende setting. Een ruimte waarbinnen hij zich extra verwelkomd voelde, stelde ik mij voor, misschien omdat ‘zich welkom voelen’ geen gewoonte-energie van hem was geweest. Voor haar wel, kwam mij toe; verwelkoming was de kers op de taart onder de tafelmanieren. We zaten nog niet of ze droeg zorg voor ieders eetwensen. Tafelen was een ander woord voor verwelkomen.
Ook háár Indische kookkunsten waren als vergulding van zijn keuze. Ze werden hier omringd door bekenden, waaronder mensen maar ook geuren en gewenning, expressieve hartelijkheid en ongedwongen zorgzaamheid.

Tot stotteren aan toe benadrukte hij de snelheid van zijn motor, het vervroegde pensioen, zijn onbaatzuchtige vrijwilligerswerk als hardlooptrainer. Zijn levensloop deelde hij gul, zo gedreven als hij rennen kon, was hij zich van deze ontwikkelingen in zijn persoonlijke leven bewust en leek hij een zekere nood te voelen daarover op gelijke pas met zijn toehoorders uit te komen.

Liefdevolle culturele bestuiving en bewustwording van sprekende,individuele tradities spraken uit de symbolische dialoog tussen Oost en West. Een wrange politieke geschiedenis bleek even geen stille ontkrachting van dit universeel zinvolle, persoonlijke samen-zijn. Karakteristiek in zijn doen en laten was hij zeker, zijn persoonsvorming hing volledig samen met wie zij samen waren geworden.

Ik luisterde met emotionele roering, onderbuikgevoelens die me ingaven al luisterend ruimte te scheppen voor zijn openhartige expressie. De vele prikkels stuwden echter denkbewegingen aan. De symboliek die ik zag, hoorde, proefde en waar ik onderdeel van uitmaakte, vroeg om een verhaal met draagkracht. Ik zou hier nog over schrijven, zoveel was zeker.
Ik associeerde spontaan tot de verbanden dweperig uit hun voegen werden getrokken, zag zodoende het lot van dit samenzijn in ieders gebaar terug, wat resulteerde in mezelf mentaal terugfluiten.

Ik was opnieuw bewust van de plek waar ik zat; tussen zes verbonden individuen. Het schrijven zou vanzelfsprekend volgen, nadien. Soms is dat helemaal helder, dat een impuls tot momentum ombuigt en in creativiteit resulteert. Dit was zo’n ervaring.

Bijzondere blikken werden voorgeschoteld, bevestigende zuchten beantwoord met vertroostende glimlachen.

Hij benadrukte nogmaals dat hij zonder zijn wederhelft geen weet zou hebben van liefde en dankbaarheid. Zij kon niet spiegelen want ze stond niet lijfelijk aan zijn zijde, maar de rest van de tafel vormden een vroom draagvlak. Ieders waterige ogen konden kalm en helder reflecteren, zijn binnenwereld vond afgestemden in de interesse die wij hadden voor zijn levensloop en - lessen.

Telkens in zijn woorden, ‘dat heb ik allemaal van haar geleerd’. Zo simpel, zo waar, zo waarderend. We waren allemaal aangedaan, maar niet (meer) verschrokken. En juist die combinatie ontroerde zo, ons vertrekpunt was tenslotte intensief en heftig.

Enkele minuten daarvoor sprak ik vol lof over de indrukwekkende samenwerking tussen deze volstrekt onbekenden.

De reden voor mijn waarderende woorden lag in het ongebruikelijke, gezamenlijke verleden dat aan deze samenkomst voorafging.

Wij – zes van de zeven aanwezige personen - hadden elkaar op een doodnormale maandag onderweg getroffen.

Samen met mijn lief fietste ik naar een regionaal beroemde ijstent in het centrum. Verfrissende wind aan ons zij, vrije tijd in de benen, gedachten geenszins op te-doen gericht.

Toen we langs tennisvelden fietsten, zagen we plots een man vooruit op de stoepstenen vallen. Frontaal. Misschien hoorden we eerst een klap en construeerden we de val, die eerder onbewust ons gezichtsveld passeerden.
Een flits en een direct besef van nood, dat sowieso.

Ik moedigde mijn partner aan om zich er naartoe te snellen. Hij is arts en bovenal; ik vertrouw hem in zo’n situatie overduidelijk en volledig. Dat had ik in een ander noodlottig voorval al eens ervaren, en zoiets dringt tot je geconditioneerde geweten aan toe door. Voor je het weet is het vertrouwen vanzelfsprekend en in deze verkrampte context door spoed en nood was dat een soortement van zegen.

Omstanders, mijn partner, ik…we haastten ons naar de man. Ik hield me in en zag dat menigeen zich inzette om tot passende actie te komen. Alleen al weten dat ik geen handelingen moest verrichten in zo’n stressvolle situatie was indrukwekkend. Ik hield mezelf graag voor iemand die vooraan moest staan bij hoge nood. Dat had ik meegemaakt, lang geleden, en zoiets wordt een blauwdruk waar je buiten alarmerende situaties flink onder lijden kan, toch ook identiteit aan ontleent. Nu keek ik in deze positie toe. Rust behouden was nu zinvol.

Ik merkte tussentijds op dat ik al gauw de aanmoediging richting mijn lief opeiste als intern aan de chronologie van de gebeurtenissen. Een verlangen naar controle uit onzekerheid. Juist in deze omstandigheid zocht ik een referentie voor maakbaarheid. De bewustwording hiervan, ter plekke, werd natuurlijk overwegend overstelpt door het benodigde handelen, al kon ik als omstander in parallelle werelden leven. Mijn directe focus was niet noodzakelijk en ik reflecteerde, onderwijl ik toekeek en hoopte.

Sommige mensen deden pogingen een ambulance te bellen maar worstelden zichtbaar met de nodige stress.
Enkele omstanders stonden verstijfd.
Het bleek een groepje hardlopers wiens trainer plots, net voor de start van de training, duizelig werd en voor over viel. Menigeen onder hen wist in deze gigantisch stresserende rolverwisseling wellicht van geen handelen.
Anderen handelden zo strak en gefocust als een mens op een automatisch piloot reageren kan. Zij waren redders pur sang, op dat moment, nergens anders op de juiste plek op het juiste moment bewust aanwezig.

‘Redder’ gebruik ik doorgaans in sociaal-psychische zin, ter duiding van een relationele dynamiek die conflicten in stand houdt, in plaats van zachtmoedig contact te weeg brengt. Even, bedacht ik mij, is deze toepassing van de term een luxe. Nu, in deze omstandigheid, gaat het om leven of dood. Al zou een dergelijke gedachtegang, bedacht ik me vluchtig, tot schuldgevoelens kunnen doordraaien en juist dat leek me nu schrijdend ontoepasselijk!

Mijn partner’s concentratie zag ik in intensiteit toenemen, een knipoog volgde en ik zond met man en macht geconcentreerd vertrouwen terug door rustig adem te halen. Schuld is voor een toekijker misschien een omweg om te participeren. Om de indruk krampachtig vast te houden invloed te kunnen uitoefenen zonder je daadwerkelijk aan te kunnen passen. Deze wegen, gedachtekronkels, had ik bewandeld. Op dit moment deed ik er goed aan rustig in en uit te ademen, deze woorden wogen zwaar.

De man op de grond hapte naar lucht, trok steeds witter weg en blauw aan. Zijn hart verstilde.
Reanimatie volgde.
Ik werd razendsnel bewust van de indruk die beelden kunnen hebben, overweldigd echter door de prioritering die richting het handelen ging. Hoe impactvol ook, hoofd en handen waren nu op zijn hart gericht. Als toeschouwer participeerde ik emotioneel. Uit betrokkenheid gebeurt er ook op afstand duizelingwekkend veel, bedacht ik me. Kon ik maar magisch denken!

Ik schoof onze fietsen naar de zijkant van het pad om de weg vrij te
banen voor de ambulance. Van deze distantie nam ik verwonderd, bezorgd en hoopvol waar hoe een ongeplande, menselijke organisatie op gang kwam. In mij rees een vurig verlangen om deel uit te maken van deze levensvorm. Misschien was het de angst voor de dood die hier omgekeerd sprak.

Alle ogen waren op de man, nee het vitale leven van de man op de grond gericht, ieders handelen nu een verlengde van zijn haperende lichaam. De gemeenschap bleek zijn tweede lichaam.

De AED werd gehaald, met een snelheid van jewelste. Twee moedige sporters en mijn partner gaven al hun zorg voor dit leven, een leven dat nog geen vier minuten geleden ongewis voor hen was en nu seconden verwijderd leek van een absolute dood waar ieder van ons zich direct of indirect tegen verzette.

De tijd leek inderdaad stil te staan, zoals in het lichaam van deze man ook even het geval was. De ruimte bleek een en al bewustzijn om zijn onbewust-zijn wakker te schudden. Met succes.

Hoe adrem een vreemde ertoe besloot mond-op-mond beademing te bieden, haar shirt uittrok en zijn bebloede gezicht schoonveegde. Het woord moedig gebruik ik het laatste jaar onevenredig vaak, nu was het echter buitengewoon goed op z’n plek. Wederom viel mij de onrustige luxe van de vrije associatie op, die ik doorgaans in mijn werk en leven heb en die hier gefilterd wordt tot de meest heldere, zingevende toepasbaarheid. Zij was moedig, ontegenzeggelijk!
Ze zal later vast en zeker zeggen dat het doodnormaal was wat ze deed. Reflecteerde ik tussendoor, als ware het een protocol. Ik kreeg ongelijk, tenminste deels, want er schuilde risico’s in het directe bloedcontact. Ter plekke kon ik slechts denken: zou ik ook gedaan hebben.
Hoewel ik dat, leerde ik in míjn levensloop, nooit zeker weet.

Het vertrouwen waarmee mijn partner met de twee andere reanimeerders samenwerkten was tot ver opgetrokken gezichtsrimpels, ver buiten de plek van actie herkenbaar als verstilde, bijna starre verwondering.

Ik kon me tussendoor voorstellen dat mensen in andere tijden van wonderen zouden spreken. Toen er geen verklarende wetenschap bestond, maar er wel redders waren. In mij verlangzaamde alles en tegelijkertijd probeerde ik voor iedere aanwezige adem te halen. Om een nog niet verklaarde reden was dit volstrekt logisch. Intense kalmte overviel me, de nood hiertoe was evident.

En, ja!

Zijn hart begon weer te kloppen, leven liet via ademteugen en proesten van zich horen. De opluchting was ook óm de man heen heel zichtbaar. Deze nieuwe gemeenschap schreef haar eerste geschiedenis.
De ambulancebroeders waren integer opgetogen, er was juist gehandeld, ontladende omhelzingen volgden en de onzekerheid over de toestand van de man werd kortstondig opgeheven in het besef dat hij in ieder geval weer ademde.

Ik zag mijn partner zweten, ietwat ontregeld om zich heen kijken en een paar keer diep ademhalen. De heldin die de flink bebloede man besloot mond-op-mond te beademen tegen beter weten in liet alle spanning die ze opgebouwd had los als een lach en hartskreten. Soms wil ik alleen al door te kijken de ander een warm bad van veiligheid bieden en dit was zo’n moment. Ze had een hart van goud en deze avond werd dit maar weer eens verzilverd. De tijd had stil gestaan en het leek alsof ik haar al jaren kende.

Na enkele uitwisselingen en emotionele ontladingen herpakten we onze fietstocht. Op naar het ijs, lachten we beide. We waren allebei op onze eigen wijze geemotioneerd. Bovenal hield ik van mijn partner, voelde ik. Ook hier bruiste ik van behoeften om een warm bad te bieden door slechts een ontzegelde en bescheiden blik te werpen. Zachte kracht straalde pontificaal van hem af en ik ervoer de fysiek-emotionele radiatie weerkaatsend als liefde. We bevestigde meermaals de zin van (over) leven en onze betrokkenheid bij de gezondheid van de man wiens leven zojuist, niet voor de eerste keer, in de handen van wereldvreemden vatbaar vitaal werd.

Wonder boven wonder, na vier dagen zou de man het ziekenhuis weer verlaten. Weliswaar onder bulten en verwondingen, maar met kort zicht op zijn volgende renrondes. Geen restschade, fysiek. De trainer in hem leefde op, de mens zou zich nog vaak afvragen wat de zin van hardrennen en van samenwerking is.

Enkele tijd na dit voorval werd mijn partner gebeld. Het bleek de man te zijn, die zich levenslustig in dankwoorden uitte en benadrukte elkaar graag te ontmoeten. Tijdens een etentje, binnenkort.

Er gingen weken overheen en we – mijn partner en ik - stonden samen soms, heel kort, stil bij het voorval. Hoe zou het met hem zijn, zullen we elkaar nog treffen? We reden langs de tennisvelden, keken elkaar invoelend aan, beseften beiden dat we zomaar ineens iets soortgelijks mee zouden kunnen maken.

Nogmaals moedig benoemde mijn lief dat het zó ook wel goed was, dat hij (de man) zich waarschijnlijk op het leven stortte zoals dit zo abrupt uit hem wegtrok, dat ook al zouden we nooit meer iets horen, het okee was zoals het was.
Ik las hierin terug dat de zingeving al voltrokken was. Wat ik ook op de avond van het voorval zelf ervoer; dat als wij mensen echt iets voor elkaar kunnen betekenen, we niet naar elkaar grijpen, maar samen ergens voor gaan. Het omgekeerde van leren loslaten en precies even zinvol.

We gingen allemaal voor hem, onze handen, hoofden en harten sprongen voor hem in de bres. Dat kan dus, des mens.

De uitnodiging zou alsnog komen en zo bevonden we ons, in zekere zin net zo plots als dat we elkaar op de stenen straat troffen, in een vriendelijk ogend en warmhartig begeleid Indonesisch restaurant, in gezelschap van mensen die we zomaar hebben leren kennen, met wie we samengewerkt hadden voor het leven van een man die tot voor kort geen individuele betekenis had voor vrijwel ieder van ons. Nu vierden we zijn leven en het leven. Het leven, waarvan samenwerking toch een voorwaarde is, nogmaals gebleken.

Wat ons samenbracht, was zijn hart. Dat ontroerde hem, heel grijpbaar.

Zijn hart werd wederom op gang gebracht door dit zo voelbare samenwerkingsverband en de menstyperende technologie. De rode draad van dit samenzijn was zijn leven, menselijke samenspanning, en dit besef vroeg aandacht ter verwerking.

Dat was van zijn gezicht af te lezen. Toen hij op de grond lag, hulpeloos als vijftig jaar daarvoor en nu, een man met vervroegd pensioen, kwetsbaar open, juist daarom van statuur.

Bij aankomst in het restaurant wilde ik graag de gezichtsuitdrukking van de man zien op het moment dat hij mijn partner voor de eerste keer zou zien. Deze kans was er en het moment ontkrachtte maar weer eens dat het niet de chronologie is van deze reeks gebeurtenissen die de betekenis schept. Deze ontmoetingen gingen aan een behoefte tot identiteit voorbij.

Het was een uitdrukking die nu in mijn geheugen straalt van typering. De man wilde mijn partner zien voor wie hij was; zijn eigen leven gereflecteerd zien in de blik die hij mijn partner toe worp. Dat was zo evident, wat mij betreft. Hij keek opzienbarend helder, alsof hij de man die zijn leven heeft gered, verhevigd wilde vereeuwigen middels zijn gadeslagen. Dat was andersom tenslotte ook gebeurd. De geschiedenis stond juist op z’n kop en bevestigde verbinding als essentie van samenzijn, niet het ontstaan.

De focus die de redders hadden, was als de focus die de man nu zelf had. Allen ingespannen om van het leven te houden.

Mijn partner nam de blik integer in ontvangst en ik meende hem ook te kunnen zien voor wie hij met of zonder mijn blik is: liefdevol en hartelijk. Ik keek wederom toe en ervoer het geluk van het aanvoelen en toeschouwen.

Aan tafel heerste respect, verstilling en zachtmoedig contact. Stukjes van het gedeelde verhaal kwamen aan bod, emoties transformeerden tot gedeelde gevoelens en bestendigden een band waarvan na deze ontmoeting hoogstwaarschijnlijk geen nieuwe herinneringen gevormd zullen worden.

En was dat ook nodig? We zouden levenslang aan elkaar verbonden zijn, zoveel was daadwerkelijk waar. Het leek in de verte op een dansfeest waar iedereen elkaar een paar uur lang onvoorwaardelijk liefheeft. Een belangrijk onderscheid vierde echter hoogtij. Hier was alles al goed zoals het was, ook zonder je specifiek plezierig goed te voelen.

Dát, dacht ik, is dus zingevend. De duurzaamheid van deze ervaring printte een mentale overtuiging in: niets voelt zinvoller dan er écht voor elkaar te zijn.

De man wiens leven gered werd door een samenwerking tussen volstrekt onbekenden, getuigde in zijn doen en laten van besef. Realisatie, en hoe zou het ook anders kunnen, nadat zijn leven meerdere seconden buiten levensvatbaar bewustzijn verbleef?

Hij deelde kwetsbaar welke angsten hij nu ervaart, welke indruk dit op hem heeft achtergelaten, hoe hij met verwerking, zin en zenuwen worstelt.

Soms doordringend trillend keek hij mij net iets langer aan en ik voelde zijn spanningen als momentane bevestiging van wat er echt toe doet in het leven, al ging het er niet om dit te benoemen of te verwoorden. Net als tijdens het voorval reflecteerde ik tussendoor, kortstondig vond ik mijn bevindingen te cliché om waar te zijn, waarna ik zwijgend moest glimlachen om het simpele gegeven dat clichees ook waar zijn. Het betrof hier, concludeerde ik overwogen en bij herhaling, universele waarheden in een hoogstpersoonlijke setting.

Het is niet niks, bevestigde hij enkele keren. Ik vroeg nog eens rustig en subtiel door, over wat de impact hiervan voor hem was.

Zijn hart begon wat harder te kloppen, zijn leven zichtbaar bewust aan de gestrande tranen op de oppervlakte van zijn open, heel open ogen. Ontwaakt. De ontroering was ook om hem heen heel zichtbaar, de gemoedsbewegingen die na de verwerkte onthutsing volgde. De verschrokkenheid van toen, tijdens het voorval, onderging een metamorfose en we troffen elkaar die avond in respect en waardering voor het samen mens-zijn.

Een tafel die aan alle zijden bevolkt werd door veelal onbekenden werd een symbool van samenwerking, vertrouwen, gelijkmoedigheid en besef.

Het individu bleek ondeelbaar omdat we er allemaal deel aan hebben.

Zo’n besef vraagt rijping, al werd de kiem in tikkende seconden geplant. Het heeft mij ongewoon veel bewogen te weten dat deze man voortleven zal en zijn vertrouwen daarin ook deze avond aan tafel zo wist te vieren, door zijn leerproces, emotioneel ook, te herkennen en erkennen. Bekroond met de liefde voor zijn vrouw, die allang voordat wij aan tafel samen zouden komen om het frisse leven van haar man te vieren, had geleerd dat samenwerken van doorslaggevend individueel belang is.

Hij zat aan de ene kant, zij aan de andere kant. Wij vijven vormden een verbinding tussen hen, oost en west. Waarvan thuis, om het even waar dit huist, het best.

Dit zullen we tot het einde van onze dagen herinneren, ongetwijfeld volgens het hart en als 't hoofd het toelaat.
Wat hen samenbracht, was zijn hart. Daar konden we ons allemaal in vinden, het klopte.

Een zeldzame cohesie, een viering van leven, geen hartritme dat verstoorde.
Net als de organisatie die plots op gang kwam, uit het niets en voor zíjn leven. Ik heb zelden zulke mooie collega’s gekend!

Wat ons samenbracht, was zijn kloppend hart.