Lotte van Lith

Auteuriteit: een meergelaagde lezing van Grunberg’s Brieven aan Esther

Posted on 18 March 2012 by Lotte van Lith | No Comments


 

Dit essay is een uitgebreide versie van de presentatie met gelijknamige titel, zoals gegeven 9 maart 2012 tijdens het symposium ‘Een meerlagige kijk op conflict, Persoonlijkheid en de maakbaarheid van de samenleving’. Deze conferentie was georganiseerd op de UvH te Utrecht en georganiseerd en gesponsord door coachingbureau PoseiDis.[1]

beeld: Els mulder. Zie http://elsmulder.weebly.com/

Deze analyse betreft een literaire illustratie van een aantal kernconcepten uit de theorie van positieve desintegratie (TPD) van de Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski (1902-1980). Alvorens mijn lezing van Grunberg’s Brieven aan Esther te koppelen aan deze theorie, volgt er een korte toelichting op Dabrowski’s ideeën over persoonlijkheidsontwikkeling.

Nadat een aantal concepten en ideeën van de theorie geïllustreerd zijn, wordt de keuze de persoonlijke teksten te publiceren onder de loep genomen. Ook deze beslissing zal vanuit een meerlagige kijk begrepen worden. Dit betreft de manier van denken en percipiëren van de realiteit en ontwikkeling zoals Dabrowski dit beschrijft.

In dit tweede deel van de lezing wordt een nieuwe term geïntroduceerd, auteuriteit. Dit stuk van het essay is geschreven vanuit het idee dat wij ook wel de schrijvers van ons eigen en andermans leven zijn. Wanneer we dit metafoor onder andere hanteren in het denken over onderlinge relationele afhankelijkheid in het uiten en creëren van een persoonlijke identiteit of ‘verhaal’, kan de publicatie van de brieven tevens gekoppeld worden aan hedendaagse sociale structuren. Social media bieden tenslotte meer mogelijkheden tot zelfexpressie en interactie. Daarnaast is de metaforische ruimte die het ‘zelf als auteur’ biedt, te linken aan ons brein dat doorgaand het zelf – en ander-beeld als het ware beschrijft, overschrijft en herschrijft.

TPD in vogelvlucht

 

De Theorie van Positieve Desintegratie beschrijft persoonlijkheidsontwikkeling aan de hand van ‘levels’ die gekarakteriseerd worden door twijfel, (existentiële) angsten, en perioden van interne conflicten. Volgens Dabrowski signaleren dergelijke desintegrerende episoden potentie tot groei, en zijn ze zelfs onontbeerlijk voor ontwikkeling. De term positieve desintegratie verwijst naar deze stuwende kracht van doorgaans als negatief en ongezond benaderde gevoelens en psychische condities.

Persoonlijkheidsontwikkeling gebeurt volgens de psychiater in vijf opeenvolgende niveaus, en resulteert in toenemende hegemonie van hogere over lagere hersenfuncties. Mentale functies als emoties of ideeën worden daarbij gerangschikt in verschillende niveaus, bijvoorbeeld van minder naar meer geavanceerd.[2] Dit gaat gepaard met een vorm van meerlagigheid (‘multilevelness’): het tegelijkertijd bestaan van verschillende en ook tegenstrijdige emoties en ideeën (constructies) binnen een persoon, of samenleving. Deze verscheidende percepties, en tegenstrijdigheden, ook in relatie tot de sociale omgeving, staan mede aan de basis van interne conflicten die zich kunnen uiten via, bijvoorbeeld, existentiële twijfel.

Verder gebruikt Dabrowski de term ‘overgevoeligheden’ om aan te geven hoe een andere, sterkere ervaring van de realiteit zich via verschillende kanalen uit en psychologische ontwikkeling kan stimuleren. De verscheidende belevingsdimensies die onderscheiden worden zijn ‘psychomotorisch’, ‘zintuiglijk’, ‘intellectueel’, ‘verbeelding’ en ‘emotioneel’.

Als een ‘kanaal’ duidelijk prikkelbaar is, betekent dit een meer dan gemiddelde reactie op bepaalde stimuli. In de onderstaande analyse zal ik met nadere uitleg over deze uitingsvormen toelichten welke van de benoemde waarnemingsdimensies en dynamismen geïllustreerd worden door de brieven aan Esther. Dynamismen die ontwikkeling voortduwen bestaan (verder) uit aangeboren talenten, vaardigheden, de invloed van de sociale omgeving en de zogenaamde ‘derde factor’. De derde factor, of ‘wil tot autonomie’, verwijst naar de autonome en bewuste processen binnen een individu waarbij doelbewust gekozen wordt om de invloed van sociale context en de aangeboren kenmerken te beperken of juist te versterken. Dit signaleert een wil tot veranderen en een mogelijkheid om zelfgedetermineerd vorm te geven aan persoonlijkheid.

De term ‘ontwikkelingspotentieel’ refereert naar de speciale talenten die iemand heeft, de aanwezigheid van de vijf vormen van ‘extrabeleving’, het samenspel daartussen en daarmee de potentie om via positieve desintegratie hogere ‘niveaus’ van ontwikkeling te realiseren.

Dabrowski’s theorie heeft vooralsnog voornamelijk invloed gehad op het denken over en ontdekken en verder ontwikkelen van hoogbegaafdheid(-stheorie). Zijn ideeën kunnen echter ook breder gezien worden als een alternatieve manier van denken over persoonlijkheidsontwikkeling. Psychoneurose, in tegenstelling tot de gangbare ideeën hierover, wordt niet als (alleen) belemmerend geanalyseerd, maar mogelijk ook als een teken van potentieel. Angsten en vertwijfeling, gevoelens van schaamte en schuld, obsessief gedrag, perfectionistische neigingen en andere uitingsvormen die we normaliter pogen direct te verlichten om onze productiviteit of aangepastheid te optimaliseren, zijn in deze theorie zoals gezegd duiders van potentie tot het verder ontwikkelen van de hogere hersenfuncties, met emoties als voorname kracht hierachter. Ook gevoelens als schaamte zijn tekens van menselijkheid, en ook duiders van een potentie tot ontwikkeling. Kortweg stel de psychiater: ‘Psychoneurose is geen ziekte’. Het is beargumenteerbaar te stellen dat Dabrowski’s visie een andere ziens – en begripswijze van neuroses voorstelt die niet op direct gangbare wijze onderdeel is van de moderne ‘medische blik’ zoals Foucault deze mede beschreven heeft. De uitingen van neurotisch gedrag zouden volgens Dabrowski niet zo snel mogelijk ingedamd moeten worden – aan de randen van de maatschappij waar ze de minste bedreiging voor de productiviteit vormen – maar gelezen en begrepen dienen te worden als potentiële mogelijkheid tot het ontwikkelen van creativiteit en andere uitingen van bijzondere, menselijke talenten. Dit impliceert ook andere behandelmethoden waarbij autotherapie vooropstaat.

Dabrowski’s visie is ook te hanteren als metatheorie, waarbij het tegelijkertijd bestaan van verschillende realiteiten een hiërarchische conceptie mogelijk maakt. Dit faciliteert vervolgens een vorm van besluitvorming gestoeld op een rangschikking tussen keuzes die geïnterpreteerd worden als, bijvoorbeeld, meer/minder mezelf of altruïstisch versus meer egoïstisch.

Hoe is deze theorie toe te lichten aan de hand een literair voorbeeld? De volgende analyse zal inzoomen op de brieven, en voorbeelden aanhalen van de hierboven genoemde dynamismen en overgevoeligheden.

Schrijven als zelfvernietiging

 

Brieven aan Esther behelst de publicatie van negentien brieven die Arnon Grunberg tussen 1992 en 1993 aan Esther Krop geschreven heeft, zo wordt dit de lezer door de auteur verteld in de inleiding. Vorig jaar zijn deze gepubliceerd door Esther Krop.

Het volgende citaat uit een recensie is een verwijzing naar de gedachtegangen die Grunberg op begin twintig jarige leeftijd verwoordt in de brieven aan Esther. Volgens de recensent zijn het:

‘Verdrietige, maar mooie zinnen, die de basis hadden kunnen zijn voor ófwel een leven in een inrichting ófwel een van de bijzonderste oeuvres uit de Moderne Nederlandse Letterkunde.’[3]

Waarom zou een lezer de teksten van Grunberg zodanig analyseren? Hoe profileert Arnon zich net adolescent af, waarom ontstaat er het beeld van een gek-in-wording? Het romantische idee van het genie dat op de grensgevallen tussen geniaal en gestoord balanceert, is wellicht op alternatieve wijze te definiëren, en werkt daarmee mogelijkerwijs demythologiserend, als een uiting – via angsten en een zoektocht naar antwoorden op existentiële vragen – van Dabrowskiaans ontwikkelingspotentieel.

De brieven bieden een kijkje in de keuken van de toen nog begin twintigjarige Arnon. Hij is van het Gymnasium gestuurd, is net een uitgeverij begonnen en schrijft toneel. Op het moment van de correspondentie schrijft hij ook aan zijn debuutroman Blauwe Maandagen waarmee hij zijn naam zal vestigen als zeer talentvol schrijver. Esther Krop heeft hij leren kennen bij de presentatie van haar dichtbundel. Ze wisselen gegevens uit en starten de briefwisseling.

Zoals beschreven ziet Dabrowski onrust en interne conflicten als noodzakelijk voor persoonlijke groei. Dit omdat ze signaleren dat er discrepanties bestaan tussen verschillende percepties van de realiteit, tussen persoonlijke ervaring en de waarden van de externe, sociale omgeving, en gevoelens als schaamte of schuld sturend zijn in een wil anders te gedragen.

Hoewel ik niet hard kan maken of en hoe de beschreven conflicten en angsten in de briefwisseling deel hebben uitgemaakt voor een of de ‘groei’ die ik zal beschrijven, zal ik nu toch inzoomen op de conflictueuze visie op het leven die de tekst zeer zeker laat zien. Bewust van de speculatieve aard van deze analyse, is deze lezing dan ook op te vatten als mogelijk illustratief voor de TPD, en in ieder geval metaforisch psychologisch interessant. Het betreft dus een kwalitatieve analyse door middel van een literair voorbeeld. Naderhand biedt een meta-interpretatie een meerlagig perspectief op de beslissing deze briefwisseling te publiceren.

Arnon en Esther zie ik hier als personages die respectievelijk als schrijver en als aangeschrevene/ uitgever/vormgever een ‘stem’ krijgen via de brieven. De brieven zouden daarmee net zo goed fictief kunnen zijn, dit zou de analyse niet veranderen, aangezien de focus ligt in de potentiële metaforische betekenis. Doel van mijn interpretatie is het invullen van een gedeelte van de metaforische ruimte die het ‘zelf als auteur’ schept wanneer het begrip van persoonlijke ontwikkeling, identiteit en de onderlinge afhankelijkheid betreft. De ‘identiteit’ Arnon wordt niet voor waar aangenomen, maar als een verschijningsvorm van ‘een zelf’ binnen en via een creatieve tekstuele uiting. Hierbij horen ook sommige zijpaadjes via andere uitingen en verschijningsvormen van Grunberg, citaten die deze interpretatie verrijken. Deze worden toegevoegd aan de constructie van (de ontwikkelingen van) het personage ‘Arnon’ dat dient als metafoor voor TPD en het zelf als schrijver.

Of, gebaseerd op de biopic ‘I’m not there’ (2007), een filmische compilatie over Bob Dylan en identiteit, deze tekst is: ‘Geïnspireerd door de teksten en vele levens van Arnon Grunberg.’

De publicatie is dus niet één met de maker(s). Dat zou in dit geval al voldoende vraagtekens op moeten roepen om de onderlinge afhankelijkheid die ik verderop bespreek te bevestigen.

Beste Esther,

 

De briefwisseling begint amicaal, flirterig en zeker hartelijk. Grunberg is aanmoedigend en uitnodigend, spoort Esther aan verder te schrijven en noemt haar een bijzonder meisje. Na de vierde brief verandert de toon duidelijk. De korte en vriendelijke briefjes van Grunberg veranderen in lange, kritische, reflecterende en ook confronterende teksten. Waar Grunberg eerst nog meegaand en beïnvloedbaar is door Esther’s geloof in de zuiverheid van kunst, en haar overtuigingen over echtheid, wordt hij steeds directer. Hij lijkt geïrriteerd en schrijft belerend.

Een opvallend aspect is de onrust, de niet altijd expliciet benoemde levensvragen die Arnon bezighouden en de daarbij gepaarde existentiële angsten die hij verwoordt in de brieven. In een van zijn brieven schrijft hij: ‘Al vijf jaar probeer ik te verwoorden wat het betekent als iemand geregeerd wordt door angst.’(24)

Arnon karakteriseert zichzelf als iemand die door angsten gedicteerd wordt, door de woede die hij voelt vanwege de onvolmaaktheid van zijn, of eigenlijk het leven. Hij houdt er, zo lijkt, een behoorlijke zwarte filosofie op na. Hij is naar eigen zeggen geobsedeerd door destructie, hij ziet schrijven als een ‘verdoemde rechtvaardiging van zijn isolement’. (5)

Schrijven is als een vorm van zelfvernietiging, en Arnon koppelt dit aan de dood die als enige een stukje kan vervolmaken van dit onvolmaakte leven. Schrijven, zo interpreteer ik dit, is voor hem een stukje dood-zijn, of wellicht beter gezegd, dood-gaan dat hij zelf in handen heeft. Alsof schrijven gelijk staat aan een doorgaand begin en eind, waarin een vorm van controle en macht gelegen ligt, iets dat alleen door het onvermijdelijke lot zelf ‘overtroffen’ kan worden.

Dat hij op het moment van het schrijven van deze brieven gebukt gaat onder angsten en twijfels die het Esther maar ook zeer zeker hem zelf moeilijk maken, blijkt uit zijn wereldbeeld. Zijn gedachtegangen en intonatie verwijzen naar groeiende frustraties richtingen de externe wereld, maar zijn ook op zichzelf gericht. Het is deze vorm van ironie die de zwaarte gedeeltelijk opheft op het moment van uitspreken.

Schrijven neemt een heel belangrijke plaats in omdat, zoals hij zelf aangeeft;‘[…] meer dan in het verheerlijken van een moment, of het uitdrukken van een bepaald soort berusting ligt voor mij het schrijven voor een belangrijk deel verborgen in de woede die ik voel en de drift.’ (14) Hij voelt die woede, maar zoekt ook manieren deze emoties te kanaliseren via zelfexpressie.

Al lezende rijst er een onheilspellend gevoel op door de toenemende ongedurigheid die door de toon, herhalingen, en zwarte humor benadrukt wordt. Ik vroeg mij steeds meer af hoeveel ongeluk de jonge schrijver ervoer ondanks, of dankzij, zijn toen al overduidelijke talenten tot analytische en stilistisch vlijmscherpe observaties en formuleringen. Dit wordt mede benadrukt door Grunberg’s schijnbaar weloverwogen keuze hier en daar geen komma’s te gebruiken waar je ze wel verwacht. Dit, net als de repetitieve opmerkingen, zorgen ervoor dat je Grunberg hardop Esther hoort toespreken. In toenemende mate wordt Grunberg’s aanwezigheid in de tekst uitvergroot, naarmate Esther een steeds kleiner en naïef meisje representeert dat zogezegd nog in sprookjes lijkt te geloven.

De brieven laten ook zien hoe Arnon, in Dabrowski’s termen, overgevoeligheden zich profileren op die leeftijd.

De komedie die wij alledaags noemen

 

Hoe meer overgevoeligheden, hoe intenser alledaagse ervaringen worden volgens de TPD. Dit lees ik terug in de tekst wanneer Grunberg  ‘in overtreffende trap’ schrijft: ‘Ik schrijf je na een ellendige dag. De hele dag heb ik moeten bezighouden met dingen die me niet of te weinig interesseren.’ (16)

Wat zijn deze versterkte dimensies van ervaren, en hoe uiten zij zich? Zijn intellectuele capaciteiten vallen zonder meer op. Hier wordt niet de kennis die hij poneert mee bedoeld, maar eerder zijn manieren van denken en vooral doordenken -en vragen. Dit is wat Dabrowski intellectuele overgevoeligheid zou kunnen noemen: hoge activiteit van de geest, een analysedrang, maar ook een wil tot het stellen van een synthese, een sterk kritische houding en het denken over het eigen denken. Ervaring als middel, en niet als doel.

Arnon formuleert voortdurend vragen, herhaalt Esther en gaat in op haar stellingen door confronterende vraagtekens te plaatsen bij haar ideeën. Zijn intellectuele wil en kunde om waarachtigheden boven tafel te krijgen is uitzonderlijk, zoals het publiek Grunberg nu ook kent. Hij confronteert Esther met de tegenstrijdigheden in haar redeneringen, vindt haar constateringen slap, dom en ondoordacht. Hij daagt haar uit redeneringen ten einde te denken, ook om te ontdekken dat ze ‘oerstom’ zijn.

Arnon beroept zich hier, in eigen bewoordingen, op zijn ‘vermogen de komedie de we hier met zijn allen opvoeren te doorschouwen.’ (53) Hij is opmerkelijk kritisch wanneer het gaat om rechtvaardigheidsgevoel, goede bedoelingen, en het nemen van eigen verantwoordelijkheid.

Hoewel hij zich ook autoritair en ook (weliswaar ironisch) arrogant opstelt ten opzichte van Esther, en naar verwachting ook zeker intimiderend overkomt, laten Grunberg’s antwoorden zien dat hij inziet hoe soms de simpelste vragen, de meeste complexe vragen kunnen deconstrueren tot een taalkwestie. Ook zet hij zijn beeldend vermogen, in Dabrowski’s termen, bewust in, zodoende om te kunnen gaan met de werkelijkheid die hij regelmatig sceptisch benadert. Het volgende citaat bevestigt dit, en benadrukt tegelijkertijd dat zijn visie van het leven en ervaringen ervoor zorgen dat hij zich op jonge leeftijd al doorleefd voelt: ‘Achttien, achttien, soms voel ik me een oude man. Maar dat is ook niet helemaal waar, want voor mij blijft er niets leukers dan spelen, dan deze werkelijkheid zo af en toe te ensceneren.’ (13,14)

Het frequent gebruik van metaforen, het hebben van een eigen stijl (herhalend, humoristisch, ironisch): het zijn uitingen van talenten en vaardigheden, maar ook van verbeeldingskracht die hem in staat stelt de werkelijkheid te begrijpen en vorm te geven op creatieve wijze.

Omdat hij de werkelijkheid, of beter gezegd werkelijkheden, als spel ziet, creëert hij ook de metaforische ruimte om zelf een actieve rol te hebben in het scheppen van realiteit.

Ook de zo gedefinieerde ‘zintuiglijke overgevoeligheid’ zou je terug kunnen lezen. Dabrowski legt deze waarneming uit als een verhoogde gevoeligheid die zich uit door liefde voor literatuur, kleuren, geuren, natuur maar ook een zekere drang om bewonderd te worden. Grunberg schrijft, met ironie maar daarom niet minder waarachtig, eerder direct: ‘Ja beroemd wil ik worden. Ik wil graag dat er een toneelstuk van me wordt opgevoerd. Dat wil ik nog meemaken voordat ik doodga.’(20)

De psychomotorische ‘overexcitability’ uit zich niet alleen door de lange, energieke teksten die Grunberg aan Esther schrijft, maar ook door zijn gedrevenheid in het algemeen. Geestdrift ondanks of dankzij inzichten in de zinloosheid van absolute (lees: makkelijke) denkwijzen.

Volgens Dabrowski is de emotionele sensitiviteit het belangrijkst in het sturen van ontwikkeling. Arnon benoemt zijn angsten en ook de felheid van sommige van zijn zinnen lijken te tonen dat er veel emotie achter zit wanneer hij afgeeft op de wereld. Ook zijn fascinatie met de dood, de zelfonderzoeking en de nadruk op de betekenis van verantwoordelijkheidsgevoel karakteriseren een sterk emotionele beleving. De emotionele banden die hij heeft en herkent, raken hem diep. ‘Verbonden ben ik op deze wereld, denk ik, (nu) alleen maar aan mijn moeder, hoewel ik niets met haar kan delen van mijn leven en andersom. Dat houdt me inderdaad nog bezig. Ik heb me nog niet van haar losgemaakt.’ (21)

Dat hij schrijft en observeert via beeldende, intellectuele en emotionele meergevoeligheden, lijdt voor mij geen twijfel: aan argumenten koppelt hij implicaties, en aan observaties koppelt hij analogieën, aan stellingnamen mogelijk morele en vooral aanwijsbare consequenties. Enerzijds is het logisch uitdenken van gedachten en concepten een sterke focus in zijn houding. Zijn teksten kun je echter ook herhalend lezen door een veelvoud aan metaforisch taalgebruik die meerdere interpretaties suggereren. Hij schetst Esther denkbeeldige scènes voor waarin zij een hoofdrol speelt, waarmee hij dubbelzinnig maar daardoor confronterend duidt waarom haar visie in zijn ogen onjuist is. Zoekende naar begrip van de wereld, want dat wenst hij naar eigen zeggen, zet hij zijn talenten en kunde in om waarachtigheden en onbenulligheden te ontdekken.

Denk Esther, denk!

Hoe zit het dan met zijn visie op ‘de tweede factor’, oftewel de gesocialiseerde denkbeelden en de conventies die genaturaliseerd worden onder invloed van de omgeving? Dabrowski stelt dat ontwikkelingspotentieel hand in hand gaat met een kritische afweging van deze voor juist aangenomen gewoonten en waarden. Dit betekent vaak een afwijzing van ‘prefabargumenten’ maar ook een zoektocht naar de persoonlijke invulling van waarden.

Arnon ageert duidelijk tegen de door Esther voor lief genomen hogere waarden. Zijn onvrede met deze manieren van denken, of in zijn ogen op dat moment wellicht ‘ondenken’, krijgt herhaaldelijk plek in de brieven.

Begrippen en woorden als ‘echt’ krijgen er flink van langs, want wat betekent dat eigenlijk? Esther’s geloof in authenticiteit en opoffering, of in Arnon’s ogen absolutistische, schuld- en-boete denkbeelden, worden door Grunberg op zijn zachts gezegd gerelativeerd. Hij veroordeelt de show van de conventies, het spreken in twee woorden waar zoveel belang gehecht wordt, ook al, ‘valt iedereen dood’. (22) Pijn is echt, hoor ik Arnon door de zinnen heen schreeuwen.

Hoewel hij ook toegeeft mee te spelen in deze show, noemt hij het dus ook een spel, en zet hij zich hiermee toch op een zekere distantie. Hij lijkt de hypocrisie die gepaard gaat met de show van zogenaamde goedheid te verafschuwen, omdat, zo lees ik tussen de regels door, ook hier een vorm van egoïsme aan ten grondslag ligt en Esther dit niet inziet. Dit is reeds een duiding van een meergelaagde visie.

Hij poneert zich als anticonform, maar tegelijkertijd benadrukt hij dat ook hij het niet weet allemaal. Hij schrijft: ‘Laat me alsjeblieft geen voorbeeld zijn voor een ander leven.’(16)

Enerzijds ervaar je als lezer haast plaatsvervangende schaamte voor de denigrerende toon waarop Grunberg, vaak ook vermakelijk, Esther ‘bombardeert’ met zijn gedachtegangen over haar opvattingen. Anderzijds heeft de ironie waarmee hij schrijft een effect dat bevestigt wat hij zelf ook benoemt; hij zou niet zo uitgebreid reageren als hij haar niet serieus nam. Hij noemt haar verwend, en vraagt op een superieure toon of ze niet een keer serieus inhoudelijk kan reageren op zijn vragen. Tegelijkertijd verwacht hij daarmee een bepaalde ontwikkeling van haar kant. Hoewel zijn antwoorden onbeleefd en ongepast aandoen voor een vriendschappelijke correspondentie behelst het ook een vorm van wat Dabrowski positieve onaangepastheid noemt; het bewust niet doen wat verwacht wordt op basis van sociaalwenselijk gedrag, maar juist dat doen waar jij van denkt dat het een alternatieve, waardevolle betekenis heeft. Een onverwachte houding waardoor tevens nieuwe mogelijkheden aan de horizon kunnen verschijnen. Grunberg’s inzet lijkt ook haar ontwikkeling. Hij noemt haar vragen weliswaar een bevestiging van ‘[…] een discussie op kleuterschoolniveau’ maar voegt ook toe ‘Dat vind ik wel vervelend, maar ik voer hem toch, omdat ik denk: ik verwacht toch wel verdere ontwikkeling en misschien wel bijzonder interessante ontwikkeling.’ (42)

Het provoceren komt dan wel meer dan eens kleinerend over, maar in de ondertoon ligt een andere boodschap. Hij daagt Esther uit te schrijven maar vooral te denken en door te denken. Teleurstellingen over eigen tekortkomingen, maar ook die van Esther en de externe wereld, doen mij zo voor als drijfveren om en geloof in het vinden van meer ware ideeën. Het interne milieu van de schrijver wordt gekarakteriseerd door tegenstrijdige dynamieken; vermijdend, en toch afhankelijk, afstotend en dan weer vragend.

 

Dynamismen

 

Wat zijn verder, op grond van Dabrowski’s theorie, de dynamismen in Grunberg’s brieven die laten zien hoe zijn rijke belevingswereld en scherpe observaties exemplarisch zijn voor een uiting van ontwikkelingspotentieel?

Ten eerste is de dynamiek an sich in zijn brieven opvallend. Eerst is hij vriendschappelijk en aanmoedigend. Vanaf brief vier wordt zijn houding toenemend grover, zoals beschreven. Vanaf brief tien is de toon wederom uitdagend op een meer positieve manier, hoewel nog belerend, ook geïnteresseerd op een wijze die zich op en niet tussen de regels uit. Hij blijft schrijven terwijl Esther stopt, een vorm van investering, misschien om zelfbevestiging of vanwege onzekerheid, maar desalniettemin een wens toch antwoorden te ontvangen van zijn lezer.

Hij stelt zich enigszins kwetsbaar op, vraagt haar een boswandeling te maken, maar blijft ook op distantie. Gevoelens van minderwaardigheid worden door hem geuit, maar ook een besef van zijn talent.

Een van de meest opvallende dynamismen die Dabrowski beschrijft en Grunberg’s zinnen tonen, zit hem in het tegelijkertijd bestaan van superioriteits – en inferioriteitsgevoelens. Enerzijds brandt hij Esther af, anderzijds is het Arnon zelf die aangeeft dat die investering alleen voorkomt uit respect. Aan de ene kant slaat hij een arrogante en intimiderende toon aan, aan de andere kant is hij tussendoor complimenteus en voel je zijn ongemak richting zichzelf. Juist deze paradox ondersteunt het idee van een zoekende Grunberg. Hij waardeert van Esther:  ‘[…] een gezonde arrogantie’ en is ironisch wanneer hij schrijft: ‘Ik ben geen God, ik ben een gevallen engel.’(31) Niettemin vraagt hij letterlijk haar steun. Die paradox geeft discrepanties in zelfbeeld en houding aan waar ook de Dabrowskiaanse meerlagigheid aan te zien is.

 

Vraag is nu, hoe wordt er stem gegeven aan Grunberg’s wil tot ontwikkelen, tot autonomie en de zogenaamde derde factor, die in de TPD van fundamenteel belang is?

Als Grunberg zich in de brieven ergens tegen verzet, dan is het wel tegen ‘makkelijke’ en geautomatiseerde vormen van idealisme. Vooral wanneer Esther schrijft over de (on)verwezenlijking van idealen die volgens Grunberg sowieso onrealiseerbaar zijn, krijgt zij ervan langs. Idealen zijn prima, maar ze moeten wel reëel zijn, en wanneer ze dit niet zijn, is dit geen excuus voor het niet nemen van verantwoordelijkheid. Hij schrijft: ‘Ik geloof dat als wij al iets van onze waardigheid kunnen bewaren dan is dat door de beelden die in ons opkomen vorm te geven, door dat gene na te jagen waarvan wij denken dat het ons zal redden, hoewel wij weten dat die redding nooit zal komen’ (13)

Hij neemt niet genoegen met volgens hem niet doordachte ideeën over schoonheid, kunst en echte liefde. Hij lijkt sterke drijfveren te ervaren om toch te streven naar ‘waarachtigheden’ en naar zijn persoonlijke, fantasierijke omgang met de werkelijkheid.

Schrijven is zo’n manier om, ik citeer, ‘ heel even geen genoegen te nemen’ (16) met de niet absolute controleerbaarheid van het leven.

En daarbij komt dat hij het Esther aanrekent dat ze mooipraterij verkondigt, maar niet overweegt wat de implicaties van haar woorden zijn. Dit ‘zijn woorden zonder consequenties en vaak klinken ze niet eens mooi.’ (21)

Dat hij (wel) een sterke wil tot zelfexpressie heeft en daarmee gepaard gaand wil tot examinatie van het leven ervaart, is helder. ‘Het scheppen van dingen sla ik nog steeds als hoogste aan.’ (14) schrijft hij. Dit ondanks én dankzij een heel kritische houding ten opzichte van genaturaliseerde gedachten.

Kierkegaard

 

De filosofie die uit Grunberg’s uitspraken en observaties te destilleren is, kent raakvlakken met de gedachten van de Deense filosoof Kierkegaard (1813 – 1855). De eerste existentiële denker ‘speelde’ ook met de werkelijkheid door, zoals Grunberg tevens doet, te schrijven onder meerdere pseudoniemen. Belangrijk in zijn filosofie is het idee dat mensen door concrete vragen te stellen, die zijn gerelateerd aan een specifieke context, een beter  inzicht ontwikkelen op hun niet-weten. De waarheid kan alleen aanschouwd worden in het licht van vandaag. Begrippen zijn daarom ook abstracties die gedefinieerd moeten worden. Volgende citaat over Kierkegaard’s dialogische vorm van schrijven doet zeker denken aan Grunberg’s houding ten opzichte van Esther: ‘Hij wil in hemzelf het vragen en denken wakker roepen en hem zijn eigen waarheid laten vinden.’(Störig, 563) Kierkegaard hield zich bezig met existentiële problemen, hij zag de mens als proces en ‘eenzaamheid, ‘geworpenheid’, het absurde en de angst als elementaire gegevens van het mens-zijn’. (567) Zijn focus op oprechtheid was de reden achter het aannemen van verschillende maskers. Het is dan ook de ironie waar hij heer en meester over was en waarmee hij systeemdenken afwees. Ironie is zonder twijfel een karakteristiek van Grunberg’s brieven aan Esther. Mijn interpretatie is dat de ironie mede aanwezig is door zijn directheid, en andersom de ironische opmerkingen een middel is tot het duiden van geregeld pijnlijke waarheden. Ook Dabrowski baseerde veel van zijn ideeën op het gedachtegoed van Kierkegaard. De stelling dat we door moeten denken, dat ondanks alle angst er een wil tot scheppen is en een nadruk op het nemen van verantwoordelijkheid ondanks de summiere invloed van een mens, kent gelijkenis met het wereldbeeld van de twintigjarige Grunberg.

Wat is nu de meergelaagdheid van de manier waarop Grunberg zich profileert?

 

Het is aan de ene kant duidelijk dat Grunberg zoekende is, en zich afzet tegen conventies. Hij voelt zich eenzaam, en profileert tussen de regels door een wens om een persoonlijke waardehiërarchie te formuleren. Hij is onzeker maar gelijktijdig gedecideerd wanneer hij anderen streng beoordeeld. We moeten proberen te zeggen wat we vinden en voelen zonder onszelf voor de gek te houden niet onderhevig te zijn aan maar al te menselijke dynamismen.

De meergelaagdheid, of het bestaan van verschillende ook tegenstrijdige emoties en ideeën, is niet alleen of volledig te vinden in de ambivalentie die de tekst tentoonspreidt, of de veroordeling van gesocialiseerde ideeën. Hij schrijft dan wel dat de wereld vol debielen loopt, en dat volwassenheid meer een spel dan werkelijkheid is, maar dit afzetten suggereert nog geen duidelijke keuze in zijn eigen houding. Hij is tegenstrijdig in zijn positionering en duidelijk verstrengeld in een terugkerend ‘eenlagige’ persoonlijke zoektocht.

In het licht van Dabrowski’s theorie kunnen we de zelfkarakterisering van de jonge Grunberg zien als een illustratie van een zeker desintegratieproces: de onvrede met de externe normen, het afzetten tegen zichzelf ondermijnende idealen, het gebruik van hyperbolen om de tegenstrijdigheden in het denken te benadrukken en de wens zich uit te drukken op een unieke manier.

De briefwisseling tussen Esther en Arnon stopt abrupt: Arnon blijft nog even door schrijven, Esther heeft al besloten te stoppen en noemt het contact ‘klote’. De ironie trekt zo ook door op vormniveau. Esther’s auteurschap houdt op bij de briefwisseling, ze zal geen dichtbundels meer maken, terwijl de carrière van Arnon glansrijk begint.

Meergelaagdheid en de daarbij passende beslissing te kiezen voor wat ‘hoger’ of als ‘meer mezelf’ bestempeld kan worden, is mijn inziens van toepassing wanneer Grunberg twee decennia later besluit Esther toestemming te geven voor de publicatie. Het is op dit punt waar Esther, zoals ik in de volgende alinea’s zal toelichten, wederom een stukje auteurschap in handen neemt.

Niet voor niets besluit zij twee decennia later de ondertussen bekroonde Grunberg te contacteren, in de vraag zijn toestemming te krijgen voor het openbaar maken van wat bedoeld was als een gericht, persoonlijk egodocument. Een document waarin Grunberg niet zonder meer ‘positief’ uit de verf komt.

Waarom gaat Arnon akkoord met de publicatie?

Om deze vraag te beantwoorden, zoom ik in op de vorm van de publicatie en Arnon’s inleidende stuk.

Esther Krop is ook de uitgever van de brieven. Het gebeurt niet vaak dat de ontvanger van de brieven ook de uitgever en vormgeefster is van de uiteindelijke publicatie. De bedoelde en enige lezer is tegelijkertijd de uitgever die het initiatief neemt in het openbaar maken van een egodocument. Nog voordat Grunberg zich gevestigd heeft als bijzonder talentvol schrijver, heeft hij deze brieven geschreven die nu aposteriori toegevoegd worden aan zijn oeuvre, zonder dat dit zijn initiële intentie was en nog gedurende zijn leven. Esther heeft dus een actieve rol in het zogenaamd meeschrijven aan Arnon’s werk. Tegelijkertijd is het ook Arnon die nu openbaar meeschrijft aan haar realiteit. In het nawoord staat dan ook:

‘De brieven van Esther Krop aan Arnon Grunberg zijn niet bewaard gebleven. De lezer ervaart haar vooral als geadresseerde en niet als degene die aan het woord is. In de dubbelrol als grafisch vormgeefster en uitgever is zij echter wel degelijk aanwezig en geeft zij alsnog een subjectieve stem aan deze correspondentie.’

Esther heeft de autoriteit te besluiten deze brieven die van de hand van Arnon komen, te willen publiceren. Ze levert hiermee een actieve bijdrage aan het werk van Grunberg als schrijver, en neemt zodoende ook zelf een plek in de tekst van Grunberg, niet alleen als ‘personage’, en geadresseerde maar ook als degene die de teksten tot leven brengt door ze openbaar te maken. Daarnaast is zij degene die de uiteindelijke vorm van de publicatie creëert.

Dat dit werk in mijn ogen en in deze interpretatie daarom interessanter is dan bijvoorbeeld een afgenomen interview met de auteur of een reactie op een van zijn columns in een bekend dagblad, komt door het medium. Brieven zijn bij uitstek media die persoonlijk en gericht zijn. Het moderne equivalent is de e-mail, maar de tastbaarheid en niet vluchtigheid van brieven geeft een andere dimensie aan de mate waarin ervaren wordt dat de communicatie persoonlijk bedoeld is. Meekijken in een document dat niet voor publicatie bedoeld is, appelleert verder aan onze wens te gluren naar iets dat niet voor onze ogen gemaakt is. De publicatie is in zekere mate vergelijkbaar met de manier waarop wij tegenwoordig persoonlijke berichten op openbare of semi-openbare digitale ruimtes plaatsen en hiermee zichtbaar meeschrijven aan het persoonlijke ‘verhaal’ van anderen en onszelf.

Welke autoriteit heeft Arnon zelf over zijn teksten en hoe gaat hij om met de ‘macht’ van Esther, of anders gezegd, met de kwetsbaarheid inherent aan Esther’s keuze?

Grunberg heeft als bekroond schrijver en publiek figuur die zich geregeld uitlaat over maatschappelijke onderwerpen, bepaalde mate van (al was het maar geveinsde) autoriteit. Hoewel de autoriteit van literatuur en schrijvers sterk onder druk is komen te staan onder invloed van (in een vogelvlucht) postmodernistische denkwijzen, digitalisering en ontlezing, is het wel degelijk zo dat een gevestigd auteur nog wordt gezien als iemand wiens mening serieus wordt genomen. Hij heeft een rol in de productie van gedachten en ideeën en wordt, vanwege de mogelijkheid zich te mengen in actuele debatten via verscheidende media, gezien als iemand die weliswaar geen wetgevende of uitvoerende macht heeft, maar wel een zekere charismatische en meningscheppende invloed. Een schrijver fungeert niet zelden als referentiekader voor de manier waarop er met de werkelijkheid omgegaan kan worden.

De ‘macht’ of betekenis die verbonden is aan Grunberg’s stellingen en meningen wordt bevestigd door het gegeven dat Esther zoveel jaren later Grunberg benadert met de vraag de brieven te publiceren. Als lezers van de brieven, nemen we de brieven serieus en willen wij er dan wel literair, dan wel autobiografisch betekenis aan ontlenen omdat Grunberg een publiek figuur is. Ook marketingtechnisch is de publicatie zonder twijfel een interessante zet.

Dat de publicatie vergezeld gaat met een inleiding, is een belangrijk gegeven. Dit geeft de oudere Grunberg de mogelijkheid de mogelijke interpretaties en beelden die uit de tekst naar voren komen in zekere zin in te kaderen door het te koppelen aan een context en een fase. Dit schept de kans een en ander te nuanceren, en een zekere afstand te nemen van de Grunberg van toen. Gelijktijdig zoekt hij de openheid op en akkoord gaat met de openbaarmaking.

Met het inleiden van de brieven neemt Grunberg een zekere macht tot betekenisgeving in handen terug. Het inleiden van de brieven is een manier om een aanwijsbaar stukje geschiedenis vanuit het heden vorm en inhoud te geven.

Grunberg lijkt zich te realiseren dat hij niet de volledige keuzevrijheid heeft, en in die zin dus kwetsbaar is, als het op de publicatie van de brieven aankomt. Openlijk vertelt hij eerst dat hij initieel geen toestemming zou geven voor het uitgeven van de teksten. Hij schrijft: ‘De kennismaking met mijn vroegere ik viel mij zwaar, en niet omdat deze kennismaking mij vervulde van weemoed naar het paradijs van de jeugd, maar omdat ik twijfel aan de literaire waarde van deze brieven.’ (5) Verderop schrijft hij ‘[…] ik zag iets dat niet voor mijn ogen bestemd was en ik eigenlijk een beetje smerig vond.’ (5)

Hij gebruikt het woord schaamte in dit verband enigszins twijfelachtig, en legt dit bij het oordeel van de lezer neer, maar spreekt wel van ‘ongemak’ bij het teruglezen van de brieven:

‘Het ongemak zat in de confrontatie met de persoon die ik zo’n twee decennia geleden was, of beter gezegd met het masker dat ik toen en misschien alleen voor Esther Krop had opgezet, en het deed mij beseffen dat ik mij het verleden mooier en onschuldiger had voorgesteld dan het in werkelijkheid misschien was geweest.’(6)

Hier voegt hij aan toe dat ‘het vermogen te vergeten’ een zegen is. Hij zegt daarbij ook dat dit niet gaat om de confrontatie met een ware ik, want achter elk masker bevindt zich weer een ander masker, maar hij vraagt zich wel af waarom hij dit masker destijds op had.

Waarom ging Arnon akkoord met de publicatie? Nadat hij duidelijk aangegeven heeft zowel persoonlijk ongemak te ervaren bij het wederzien van de teksten, als te twijfelen aan de literaire waarde (iets dat gekoppeld is aan zijn beroep als auteur en dus zou rechtvaardigen wel tot publicatie over te gaan), is het interessant te weten welke reden doorslaggevend was om uiteindelijk in samenwerking met Esther dit boekje in elkaar te zetten.

Zijn keuze ligt in het gegeven dat Esther eigenaar van de brieven is, verklaart Arnon in de inleiding. Hij voegt daar aan toe dat de vorm van de publicatie de brieven nu onderdeel maken van een stukje geconstrueerde kunst. Dat, hoewel hij de brieven niet als autonoom kunstwerk bedoeld heeft, ze in deze hoedanigheid een andere waarde krijgen. De waarde die de brieven nu krijgen, is altijd dubbelzinnig, of ‘tussen aanhalingstekens’ te plaatsen.

Grunberg twijfelt aan de literaire betekenis en haalt ook aan dat er ongetwijfeld deze en genen zullen zijn die een biografische analyse zullen loslaten op de brieven op zoek naar wellicht materiaal om de persoonlijkheid Arnon te doorgronden. Het personage Arnon is inderdaad leidraad in deze persoonlijkheidsontwikkelinganalyse, en dat het boekje online op bol.com valt onder biografieën/memoires is dan ook typerend.

Arnon het personage als autonoom stukje kunstwerk, Nietzscheaanse filosofie in een notendop, maar dan wel tussen aanhalingstekens.

In relatie tot het onderwerp van mijn lezing, de TPD, meergelaagdheid en maakbaarheid, ligt een andere betekenis van de brieven gelegen in Arnon’s besef (volgens deze interpretatie) dat het Esther nu is die de mogelijkheid heeft, zogezegd, zijn masker af te doen. Grunberg kiest ervoor te publiceren omdat het Esther’s brieven zijn. Hij kiest voor de openheid vanwege een realisatie dat met het sturen van de brieven, de brieven niet meer zijn eigendom zijn. Met het schrijven van een brief stuur je een stuk van jouw persoonlijke verhaal en identiteit aan de ander. En met de brieven schreef Grunberg ook mee aan Esther’s verhaal en hierin geeft hij gedeeltelijk keuzevrijheid weg. Hij stelt zich kwetsbaar op.

beeld: Els mulder. Zie http://elsmulder.weebly.com/

Ook als het slechts een spel, of simulatie betreft of blijkt (in Grunberg’s geval niet totaal onverwacht), blijft de publicatie een interessante metafoor voor de onderlinge afhankelijkheid.

Zowel lezer als schrijver, als uitgever, krijgen de kans de geschiedenis actueel een bepaalde plaats en mogelijk verrijkende betekenis te geven. Hoewel de confrontatie eerst tot ongemak leidt, biedt deze partiële, gedeelde geschiedenis ook weer mogelijkheden.

Op vormniveau is dit werk daarmee zowel een mooie metafoor voor de manier waarop wij online communiceren, en de mogelijke macht of invloed, maar ook openheid en verantwoordelijkheid die hierbij komt kijken. We willen graag de ruimte hebben om onszelf te profileren en de kans hebben met anderen in contact te staan. We schrijven zo verder aan onze persoonlijke, maar ook geregeld andermans verhalen. Deze potentie raakt aan een wens onszelf te ‘maken’, onze drijfveren autonoom te zijn, maar tegelijkertijd de wil het beeld dat anderen van ons hebben en van ons doorgeven, overschrijven of herschrijven, vaak zo positief mogelijk uit de verf te laten komen.

Hierin hebben we niet de volledige keuzevrijheid tenzij we de speelruimte van anderen om op onze verhalen te reageren zodanig inperken dat we spreken van het grensgeval autonomie. De openheid van internet en de onmogelijkheid überhaupt alle verhalen die in de ronde gaan te sturen, maakt een dergelijke vorm van autonomie echter onuitvoerbaar en dus misleidend. Hiermee beperken we daarnaast ook onze eigen vrijheid in contact te staan met anderen, en anderen de kans mee te schrijven aan ons verhaal, te verrijken. De macht, of autoriteit, die je de ander ontzegt, ontzeg je jezelf daarmee indirect ook door de relationele rijkdom die hiermee verloren gaat.

De deelcultuur en netwerkstructuren zijn een verlengde van de mens als sociaal dier, dat is door samen te zijn, en betekenis krijgt door zich te bewegen in verschillende contexten. Correctie. De mens als sociaal dier dat samen wordt.

De brieven zijn ook een metafoor voor de manier waarop het ophalen van herinneringen het actuele zelfbeeld kunnen veranderen of in ieder geval bevragen. Dit gebeurt geregeld in relatie met anderen die bepaalde herinneringen delen met en over jou. Zij kunnen een reden zijn waarom dit zelfbeeld niet alleen negatieve veranderingen ondergaat, maar ook waarom dit beeld kan worden verfijnd, wanneer we de openheid en verantwoordelijkheid nemen herinneringen opnieuw in te leiden vanuit een actueel perspectief. Grunberg geeft aan een ander beeld van zichzelf van toen te hebben en voelt dan ook ongemak bij het teruglezen. Door de vraag van Esther staat Grunberg voor het conflict akkoord te gaan of niet. Schaamte, of gelijke gevoelens, duiden bij uitstek een gemoedstoestand die een grensgeval als autonomie op een contextueel en persoonlijk niveau nuanceert. Schaamte, nog meer dan vastomlijnde ideeën of waarden over anderen en onszelf, is niet alleen de duider van maar ook een motor achter kwetsbaarheid.

Gemaskeerd ontmaskerd

Uiteindelijk draagt de publicatie van de brieven in mijn opinie zeer zeker waardevol bij aan Grunberg’s oeuvre.

Als er iets uit de brieven blijkt, is het Grunberg’s paradoxale wens eerlijk te zijn en waarachtigheden te benoemen zonder hiermee al zijn menselijkheid te verliezen. Dit omdat ook pijnlijke zaken hierbij horen en het besef hiervan ruimte schept oprecht te zijn. Hij confronteert Esther met het feit dat hij veel liegt, maar hij is zowel uitgesproken over zijn talent als dat hij uitgesproken negatief gedrag van zichzelf benoemt. Op metaniveau is hij juist eerlijk, die schijn hebben de brieven in ieder geval.

Het spel en, in andere woorden, de voortdurende verwikkeling, afhankelijkheid en dynamiek tussen voorkomen en werkelijkheid, ook betreft ons zelfbeeld, is een van Grunberg’s stokpaardjes.

Juist het expliciet benoemen van de werkelijkheid en het directe communiceren van Grunberg leidt ironisch tot de schijn van smetloos opereren. Zijn ironie is een middel tot inzicht in die werkelijkheid die alsnog ironisch blijft.

Misschien bedoelt Grunberg dit twee decennia later wanneer hij het over het masker heeft. Grunberg wil zich niet echt kwetsbaar opstellen in de brieven. Zijn eerlijkheid is niet ‘echt’ kwetsbaar, omdat het voornamelijk de vorm krijgt van een zoekende schrijver die zich arrogant afzet tegen Esther en weinig speling overlaat voor het meeschrijven van de ander. Hoe graag hij dit ook lijkt te willen wanneer hij Esther overspoelt met vragen: Esther is een spookgedaante, letterlijk en figuurlijk.

Kwetsbaarheid komt twee decennia later wel en is daarmee een mooi voorbeeld van een krachtigere maar ook waardevollere vorm van ‘macht’ over het verhaal van de ander dan hij in de brieven profileert.

In een documentaire over zijn veertigste verjaardagsfeest zegt Grunberg: ‘Het is een misvatting te denken, hier heb je fantasie en daar heb je werkelijkheid. Fantasie moet worden gevoed door werkelijkheid en gecorrigeerd worden door die werkelijkheid.’[4]

De inleiding begrenst in zekere mate onze fantasie die op zijn beurt gevoed wordt door ‘echte’ (wat is echt?) brieven (zie dit essay!). De projecties die we hebben van en over de jonge Grunberg wanneer we zijn brieven lezen worden begrensd door de inleiding van de Grunberg van nu.

In een interview met de schrijver wordt hem gevraagd waarom hij zijn privéleven afschermt, iets dat hij ook onderstreept in de reeds genoemde documentaire over zijn veertigste verjaardag. Grunberg zegt:

‘Mensen hebben de neiging je in een bepaalde hoek te duwen. Er ontstaat een beeld dat niet klopt met hoe jij denkt dat je bent en dat is onaangenaam. De mens is aan verandering onderhevig. Er zit ontwikkeling in je schrijverschap, je verandert. Maar mensen blijven maar oude beelden oprakelen. Ik vind verandering interessanter dan de constante factor. Anders ben je af, word je op een gegeven moment een parodie van jezelf.’[5]

Grunberg heeft voorheen geregeld een werkelijkheid verzonnen, zo hij heeft gepubliceerd onder verschillende namen juist omdat hij naar eigen zeggen ‘een boek wilde schrijven waar neutraal tegenaan gekeken zou worden’. Hij geeft aan dat het voor hem destijds noodzakelijk was maskerades op te voeren, om een boek te schrijven waar niet de vermeende persoonlijkheid van Grunberg opgelegd zou worden. Oude beelden worden in de brieven opgerakeld, maar de inleiding bevestigt zijn wil tot en wetenschap van verandering.

In het voorwoord twijfelt hij waarom hij  het masker dat hij in de brieven aan Esther lijkt te dragen, destijd op had. Het feit dat hij er voor kiest de brieven te publiceren, ontmaskert Grunberg als een auteur die, naar eigen zeggen, weliswaar als romanschrijver autoriteit veinst maar ook geen illusies maakt over zijn macht.[6] Hij doet zijn masker hier mede af door zijn autoriteit te delen, weg te geven en ook weer aan te nemen.

Bijsturen door te gluren

In Brieven aan Esther schrijft Grunberg: ‘We zijn misschien niet gevangen in de fantasie van anderen, maar dan wel in de onmacht de fantasie van anderen bij te sturen of te doen samenvallen met onze eigen fantasie.’ (35)

Dit samenvallen, is inderdaad geen mogelijkheid, maar de fantasie of het verhaal bij te sturen wel. De macht of autoriteit van onszelf als ook een soort schrijver van ons en andermans verhaal, ligt in de mogelijkheid mee te schrijven aan andermans leven, de ander mee te laten schrijven in ons verhaal en ons verhaal te herschrijven. Dit geldt ook op het niveau van sociale structuren zoals de onlineprofielen en mogelijkheden tot zelfpresentatie en onderlinge communicatie. Dit geldt ook voor de meerlagige werking van het brein, waarmee de mogelijkheid geschept wordt gaandeweg een ontwikkeling te stimuleren waarbij wij een ouder narratief van en over onszelf veroordelen, en bewust kiezen voor het herschrijven van ons verhaal, onze identiteit zonder hiermee een vorig narratief volledig te ontkennen. Uiteraard zitten hier grenzen aan de mate waarin wij dit zelf sturen. Interpretatie ligt niet in onze handen, in ons onderbewuste en bij de ander. Echter, op het moment dat we verhalen vormgeven, door te schrijven of te spreken, hebben we wel degelijk een zekere ruimte om te (her)scheppen.

We kunnen dit wellicht veroordelen en het een gevaarlijke want abstracte versie van liegen of manipulatie noemen. Echter, het is ook in de marge tussen schijn en werkelijkheid waar de realiteiten geschept worden die voor onszelf naar onszelf, en via en richting anderen, tot de potentie behoren waarbinnen wij leven, creëren, keuzes maken en invloed uitoefenen. Met andere woorden, een postmodern zou stellen dat de werkelijkheid niet te kennen valt: de constructies van werkelijkheden is daarmee nog niet minder realiteit inclusief alles dat deze constructies aan relationele macht en verantwoordelijkheid impliceren.

 

Auteuriteit

Waar Grunberg voorheen het masker van een andere naam prefereerde om een zekere neutraliteit te waarborgen, of een zekere mogelijkheid tot een nieuw, plat, beeld, neemt hij met deze publicatie eerder een masker af door een vroeger masker letterlijk te laten zien (waarmee hij ironisch weer een masker toevoegt..). In het nemen van die macht, ligt een verantwoordelijkheid voor anderen, in dit geval Esther en de imaginaire lezers, de mogelijkheid te geven mee te laten schrijven en lezen.

In de brieven schrijft hij:

‘Mijn laatste stuk gaat nu juist over mensen die dingen pas zeggen als niemand ze hoort, alleen nog zijzelf. En zij hadden dat eerder moeten zeggen, toen het meer had kunnen zijn dan een mooie klank, maar dat is nu te laat.’(20)

Dat hij nu alsnog kiest voor de openbaarheid van een stukje geschiedenis waarin hij zichzelf profileert op een manier die hij nu confronterend vindt, is wat ik noem auteuriteit: een meer complexe en geavanceerde vorm van de autoriteit die verbonden is met het idee van onszelf als schrijver van ons eigen verhaal, en dat van anderen. Het tegelijkertijd bestaan van verschillende constructies van autoriteit binnen de tekst, is een meerlagig voorbeeld van het soort gezag dat gekoppeld is aan het zelfschrijven – en meeschrijven, en laten meeschrijven van en aan je leven en identiteit.

Meer mezelf is dan verbonden met stukjes meer ander op een wederkerige, open manier. In een tijd waarin Google onze zoekgeschiedenis constant bijhoudt, we ons voortdurend op de kaart zetten via Facebook, en in realtime gedachtegangen posten op Twitter, zijn we inderdaad allemaal auteurs, auteurs met een zekere macht, maar ook met een zekere verantwoordelijkheid. Het vermogen te vergeten mag dan een zegen zijn, dit vermogen is aanwijsbaar afgenomen door de toegenomen expositie – en opslagruimte.

De mogelijkheid onszelf als schrijver te zien is in mijn ogen niet zo zeer een bevestiging van het maakbaarheidideaal, als wel een vermaakbaarheidsideaal.

In de woorden van de persona Jude Quin in de reeds genoemde film ‘I’m not there’ over Bob Dylan: ‘Je weet nooit hoe het verleden wordt.’

Toestemming geven aan de ander om deze herinneringen bespreekbaar te maken, te openbaren, maar tegelijkertijd de verantwoording nemen die herinneringen serieus te nemen, is ook een voorbeeld voor de definitie van auteuriteit die ik voorstel.

De meerlagigheid zit hem in het idee dat er tegelijkertijd verschillende constructies van autoriteit bestaan, en naarmate de complexiteit toeneemt, er wel degelijk een hiërarchie aan te brengen is in de mate waarin de vorm van macht over het meeschrijven en herschrijven van eigen en andermans verhaal gepaard gaat met flexibiliteit, verantwoordelijkheid, besef van invloed en openheid. Daarbij hoort ook de acceptatie van de autoriteit die de ander heeft om mee te schrijven aan ons verhaal en identiteit. Zo krijg je zelf een stem in het verhaal van de ander, en andersom, en heeft dit metaforische schrijversschap een herkenbaar scheppende, en dus reële functie voor het zijn van een zelf en het vormgeven en herkennen van de ander.

Auteuriteit verwijst naar de relatieve macht om de verhalen over jezelf en anderen te beïnvloeden. De mogelijkheden onze identiteit dynamisch vorm te geven, zijn gegroeid. Het besef van deze ruimte zou mijn inziens hand in hand moeten gaan met besef van afhankelijkheid, invloed, en ook verantwoordelijkheid. Auteuriteit definieert deze vorm van bewuste macht of invloed van het zelf als schrijver.

Deze dimensie zet ook de deur open om niet een horizontaal beeld van onszelf krampachtig vast te houden: we zijn namelijk onderhevig aan verandering en de mogelijkheid ons verhaal te herschrijven benadrukt dit. Hiermee wordt op een bepaald moment waarde toegedicht aan eerdere versies, en kan geprobeerd worden de huidige versie als meer mezelf te profileren, waar eerdere versies of onderdelen van deze versies als minder mezelf gekwalificeerd kunnen worden. Deze autoriteit ligt ook bij de ander, en op metaniveau ligt de macht weer bij onszelf dit van de ander te accepteren.

In het volgende citaat uit het essay ‘Otto Weininger of Bestaat de jood?’ , geschreven door Grunberg onder zijn pseudoniem Marek van der Jagt, wordt de spanning tussen betekenisgeving dat het verhaal (de roman) vormt en de zoektocht naar en van het ik scherp verwoordt:

‘Zowel de roman als het ‘ik’ streeft telkens weer naar het oprekken van de grenzen waarin ze zichzelf hebben gevangen. In het geval van identiteit wordt die gevangenis veroorzaakt door het gebrek aan aanhalingstekens, of het ontbreken ervan, bij de roman zit de gevangenis in een teveel aan aanhalingstekens, in een te nadrukkelijk aanwezig zijn van die gevangenis.’( 38)

Door de publicatie is Arnon een personage, ‘Arnon’ krijgt de ruimte een oude versie van hemzelf op een afstand te plaatsen als kunstwerk zijnde. In het echt is identiteit geen kunstwerk, maar het ik als ‘schrijver van het eigen ik als personage’ is onderdeel van het spel van aanhalingstekens waarmee schijn en werkelijkheid niet in dichotomie maar onderlinge afhankelijk zijn, én worden. De grensgevallen worden opgezocht door de brieven te vervormen tot literatuur.

Als autonoom stuk kunst, stellen de brieven ‘de lezer in staat eindelijk naar zijn eigen kortsluiting te kijken’. (Otto Weininger, 61) De lezer, dat is Grunberg mede geworden nu dat hij zichzelf tussen aanhalingstekens heeft geplaatst met de publicatie van deze brieven. Arnon is ironisch, schrijver en personage-schrijver vallen niet volledig samen. Zo wordt de kortsluiting, maar ook potentie, tussen en van verbeelding, herinnering, toen en nu, de jonge en oudere Grunberg, het bewuste en onbewuste, het persoonlijke en het publieke, belichaamt door de ingeleide teksten.

Hoewel literatuur andere spelregels kent dan een onlinemedium als Facebook, is de belevingswereld van ons bewustzijn een die soms beter tussen aanhalingstekens begrepen wordt.

The show goes on…

Er zou veel toegevoegd kunnen worden aan deze analyse, bijvoorbeeld waar de TPD niet toepasbaar of herkenbaar is. Ook waren er nog tal van citaten uit de brieven die bij hadden kunnen dragen aan deze lezing, de interpretatie zouden kunnen ondermijnen of juist verscherpen. Zo zag ik andere dynamismen die Dabrowski benoemt – subject-object in jezelf, positieve regressie – ook terug in de teksten.

Zo ook de vraag in hoeverre er gevaren verscholen liggen in deze meerlagige lezing van autoriteit als iets dat wij allen in zekere mate hebben. En van welke beperkingen hier ook sprake zijn: waar liggen de grenzen van die vrijheid en hoe worden die gehanteerd? Filosoof Martinus Benders stelt recent dat waar Facebook voorheen een persoonlijke ruimte was om met vrienden te communiceren, publieke figuren nu ‘gedwongen’ worden een profiel aan te maken. Benders richt zich op de oproep aan bekende figuren om een profiel aan te maken. Volgens Benders is deze oproep gemotiveerd door het besef dat Facebook een nivellerende werking op status veroorzaakt, en dit maatschappelijke effecten heeft. Door het gebruik van de profielen door publieke persoonlijkheden is er, zoals voorheen, weer sprake van een – in plaats van meerrichtingsverkeer. Statusverhoging vanwege direct contact met bekende personen is daarom geen realiteit. Iets dat voor Esther Krop misschien wel geldt (de inleiding van de brieven eindigt met Arnon’s constatering dat de wens te gluren samenhangt met de wens begluurd te worden).

Benders benadrukt een beperking van de openheid die ik hier bespreek. Autonomie als grensgeval wordt op Facebook vals voor autografie weergegeven, zou je kunnen stellen. ‘Met een paar muisklikken’[7] lijk je weliswaar mee te kunnen schrijven aan het verhaal van een publiek figuur, en daarmee ook jouw eigen status (en dus verhaal) te beïnvloeden. Hamvraag is of er vervolgens sprake is van communicatie over en weer tussen de gewone burger en de bekende ander. Benders licht zijn kritiek toe met zijn reactie op de verkiezingsposter van de PvdA, waarin hij Plasterk getagd had. Er volgde geen antwoord, en de tag was weggehaald. Bewegingsvrijheid is hiermee tegelijkertijd ook de vrijheid waarmee de metaforische ruimte van ons als ‘schrijvers’ beperkt wordt.

Een interessante discussie is dan in hoeverre Facebook als medium inderdaad beperkend of verruimend is in de mogelijkheden mee te schrijven, anderen mee te laten schrijven, te herinneren, te wissen en te herschrijven.

Uiteraard is Facebook zelf de grotere autoriteit in dit spel. De wetgevende macht: de duider van de grenzen waarbinnen autonomie zich laat gelden in de online community.

Graag hoor ik jullie mening, en wellicht dat dit in de toekomst leidt tot een herziene versie van dit essay. Ook stuur ik mijn analyse via Facebook door naar Grunberg, lekker burgerlijk..

Brieven aan Esther (2011) Arnon Grunberg, Alauda Publications

Geschiedenis van de Filosofie (2010), Hans Joachim Störig, Spectrum

Otto Weininger of Bestaat de jood? (2005), Marek van der Jagt, Lemniscaat

I’m not there (2007), Todd Haynes, Cinéart, quality film collection

Beelden: http://elsmulder.weebly.com/index.html


[1] http://www.poseidis.nl/index.php/agenda

[2] http://www.poseidis.nl/index.php/onze-methodiek

[3] http://www.8weekly.nl/artikel/9277/arnon-grunberg-brieven-aan-esther-brief-aan-esther.html

[4] http://www.hollanddoc.nl/kijk-luister/documentaire/a/uur-van-de-wolf-arnon-grunberg-heb-je-nog-vrienden.html

[5] http://www.intermediair.nl/artikel//41236/interview-arnon-grunberg-geluk-is-vaak-een-pose.html

[6] http://www.vn.nl/Opiniemakers/Arnon-Grunberg-helpt/Artikel-Arnon-Grunberg/Grunberg-week-16.htm

[7] ‘Waarom Facebook zichzelf saboteert.’ Martinus Benders, 15 maart 2012, op Facebook:

https://www.facebook.com/notes/martinus-benders/waarom-facebook-zichzelf-saboteert/370353996319365

Terugblik Symposium Meerlagigheid

Posted on 12 March 2012 by Lotte van Lith | No Comments

Wij kijken met veel energie terug op het symposium over meerlagigheid van afgelopen vrijdag. We waren erg enthousiast over de vragen en ideeën die we van het publiek en beide sprekers kregen en we hopen dat dit wederzijds was. Hieronder geven wij nog een kort overzicht van de presentaties.

Wie geïnteresseerd is om op een meer persoonlijke en interactieve manier over positieve desintegratie te leren, kan zich aanmelden voor onze workshop voor ongeveer zes deelnemers op zaterdag 7 april. Meer informatie is te vinden op http://www.poseidis.nl/index.php/agenda.

We willen iedereen nogmaals danken voor de opkomst en interesse!

Veel goeds,

Lotte van Lith

Maarten Wubben

Maarten Wubben:

Maarten Wubben introduceerde de Theorie van Positieve Desintegratie (TPD) van Kazimierz Dabrowski, volgens welke mentale functies meerlagig zijn, ofwel te rangschikken van lager naar hoger. Dit maakt emotionele ontwikkeling richting Persoonlijkheid mogelijk inclusief optimalisering van specifieke talenten, wat versneld wordt door “overexcitabilities” (verschillende hypersensitiviteiten van het centraal zenuwstelsel) en “dynamismen” (autonome groeikrachten). Hierbij ontstaan interne conflicten en psychoneurosen die derhalve ontwikkeling niet stagneren maar signaleren. Het hebben van en omgaan met deze conflicten verloopt in vijf opeenvolgende niveaus. De theorie biedt zo een interpretatie van onder andere hoogbegaafdheid, hoogsensitiviteit en de mogelijkheid tot sociale verandering.

Joachim Duyndam:

In zijn filosofische uiteenzetting, ook als discussiemateriaal voor de TPD, benadrukte Duyndam het verschil tussen een ontologisch versus epistemologisch begrip van de realiteit, ofwel een analyse van de werkelijkheid als gefixeerd en derhalve geschikt voor een categorische benadering versus het bewust, contextueel kiezen van een zeker perspectief op de werkelijkheid. Dit perspectieven-perspectief raakt aan meerlagigheid, maar impliceert an sich nog geen hiërarchische conceptie. Enkele andere discussiepunten waren of meerlagigheid meer is dan de som der eenlagige delen en in hoeverre specifieke persoonlijkheidsidealen romantische, tijdsgeestgebonden concepties zijn. Mogelijke antwoorden, mede gebaseerd op de daaropvolgende discussie, zijn dat Dabrowski’s ontwikkelingsniveaus metaperspectieven zijn op het Zelf als dynamische constellatie, dat meerlagigheid geïmpliceerd wordt door—maar niet reduceerbaar is tot—eenlagigheid (zoals rupsen en vlinders), en dat mogelijk alleen ontwikkeling volgens de egoïsme-altruïsme dimensie voor Dabrowski absoluut is.

Lotte van Lith:

Lotte van Lith lichtte de TPD in haar presentatie toe aan de hand van Arnon Grunberg’s onlangs gepubliceerde Brieven aan Esther. Tekstanalyse van de conflicten en angsten die de jonge Grunberg beschrijft in zijn brieven werd gekoppeld aan centrale concepten als meerlagigheid, overexcitabilities en de derde factor. Deze brieven illustreren hoe wij, onder andere ook door dagelijks gebruik van social media, allemaal een soort schrijvers zijn van zowel ons eigen als andermans leven. Dit impliceert niet alleen een mogelijkheid ons eigen verhaal vanuit andere perspectieven te begrijpen en te ontwikkelen, maar ook een meerlagigheid van autoriteit en de daarmee onlosmakelijk verbonden invloed en verantwoordelijkheid wanneer we ‘(mee)schrijven’ aan elkaars leven. De tekst is eind deze week te lezen op: www.lottevanlith.nl.

Hans Alma:

Alma besprak een meer optimale vorm van empathie, alsmede de rol van verbeelding in het hebben en ontwikkelen hiervan. Empathie bevat volgens haar zowel een mentale als sociale dimensie. De mentale dimensie bestaat uit een affectief en cognitief aspect, welke tezamen een interpretatief aspect creëren. De sociale dimensie bestaat uit een expressief en responsief aspect, waaruit eveneens een interactief aspect kan ontstaan. Volgens deze matrix zijn negen vormen van empathie mogelijk, waarbij zij de interpretatieve, interactieve vorm van empathie, die zij dialogisch-hermeneutisch noemt, als meest optimaal beschouwt. Empathie benadert zij derhalve meerlagig, gebaseerd op een mentale verdieping en sociale verrijking. Interessant is ook de faciliterende rol van kunst hierin, temeer omdat dit volgens de TPD eveneens—zij het meer via zelfbepaling—optimale empathie faciliteert.

Een meerlagige kijk op Persoonlijkheid, conflict en de maakbaarheid van de samenleving

Posted on 13 February 2012 by Lotte van Lith | No Comments

De menselijke natuur is fundamenteel gelaagd. Ons brein huisvest zowel ondergeschikte, primitieve, reflexmatige structuren als kardinale, complexe, meer wilsbekwame structuren. Dit naast elkaar bestaan van zowel oerinstincten als uniek menselijke motivaties kan conflicten veroorzaken—niet alleen tussen individuen, maar ook binnenin individuen.  Zulke innerlijke conflicten, of zelfs existentiële crises, nopen tot reflectie. Dit staat aan de basis van een zelfgeformuleerde, niet-gesocialiseerde rangorde van waarden en, uiteindelijk, de creatie van autonome, authentieke, empathische Persoonlijkheden die op charismatische wijze sociale verandering kunnen teweegbrengen. Een dergelijke hiërarchische, niet-autoritaire kijk op de menselijke natuur staat echter in schril contrast tot de meer horizontale, ongelaagde kijk die doorgaans in de sociale wetenschappen wordt aangehangen. Dit symposium verkent daarom meerlagigheid en het proces van (des)integratie binnenin individuen, alsmede hoe de samenleving dit kan aanmoedigen om uiteindelijk het maakbaarheidsideaal te realiseren.

9 Maart 2012

Symposium Multilevelness

Toegang: gratis
Aanmelding: info@poseidis.nl

Universiteit voor Humanistiek
Kromme Nieuwegracht 29
3512 AD Utrecht
Lokaal 1.40
14.00 – 17.00

Meerlagigheid in Emotionele Ontwikkeling en Conflict: De Theorie van Positieve Desintegratie
Dr. Maarten Wubben

Auteuriteit: Een meergelaagde lezing van Arnon Grunberg’s “Brieven aan Esther”
Drs. Lotte van Lith

Cultiveren van verbeelding: naar een optimale empathie
Prof. Dr. Hans Alma

Denken in perspectieven: een adequate benadering van en omgang met multilevelness (meerlagigheid)?
Prof. Dr. Joachim Duyndam

Voor meer info:
+316 12 22 42 45

info@poseidis.nl
Gesponsord door: PoseiDis

Beeld: Els Mulder

Zie ook: http://elsmulder.weebly.com/

Page 1 of 712345...Last »
  • Categories

  • Tags