Existentiële dorst
Laaf jezelf aan het Leven tot het laven meer dan zelf is en het Leven vanzelf laaft, waar het ook gaat
of komt.
Leef je in, ín 't Leven, Leef je uit, uít 't Leven.
Keer je binnenstebuiten naar het Leven in je midden toe, nodig de Ander als jezelf in een ervaring uit die het bekende te boven en onder gaat.
Adem in, als een laatste diepe teug. Adem uit, alsof het de eerste keer is.
Wenk naar toeval, grom om herhaling, bries in lust, gaap gortig.
Zeg frontaal 'nee' tegen je ingehouden 'já'.
Voel in, adem uit, zorg niet voor, over of dát:
wees aanwezig.
Met open armen wentel je in existentiële dorst; niets om te lessen, alles om te voelen, ook wat schuurt dat scheurt
ópen.
Rijp in stilte, blijf jong in een onophoudbaar open hart, huil om wat gedicht wordt - in adembenemend mooie woordbeelden en lichamen die antwoorden op dolende levensvragen vermomd als geweld.
Kerm maar, luister diep, wees vurig verlegen als het zo uitkomt, ontzie je menselijkheid voor niets.
Intens is je mens zijn, complex als het Leven is: met een wil van zichzelf, energie die toch wel gaat, lichtheid die we ondragelijk werkelijk, nergens aanwijzen kunnen en dan het onverwoestbare in ons dat zich aan sociale wetten onttrekt:
vooraf en voorbij wie je denkt te zijn of wezen moeten, hoor je iets anders dan het gebruikelijke horen en moeten
Verbazingwekkend vaak venijn verlangen
dat spreekt in een blik
scherpe woorden
synchroniserende ledematen
deinzende energiegolven
dat allemaal baddert
in en als getuigenis
nimmer teruggebracht tot mentale gevangenis:
van Leven dat nú leeft
haar sprekende zin in ons - als onbegrensde aanwezigheid - weeft.
Foto: Karlijn Goossens